Tijdelijke goedkeuring vaste reiskostenvergoeding voor thuiswerkdagen wederom verlengd tot 1 oktober 2021

Veel werkgevers verstrekken een vaste reiskostenvergoeding voor woon-werkverkeer uitgaande van 214 reisdagen per jaar. Bij deze 214 dagen is al rekening gehouden met vakantiedagen, ziektedagen en incidenteel thuiswerken.

In het voorjaar van 2020 keurde de Staatssecretaris van Financiën goed, dat de vaste reiskostenvergoeding door mochten blijven lopen, ook voor de dagen dat werknemers in verband met de coronamaatregelen thuis werken.

In onze vorige nieuwsbrief werd vermeld dat de tijdelijke goedkeuring voor het onbelast uitkeren van vaste reiskostenvergoedingen woon-werkverkeer voor thuiswerkdagen afliep op 1 juli 2021. Dit is inmiddels weer verlengd tot 1 oktober 2021.

In ieder geval tot 1 oktober 2021 kunnen de bestaande vaste reiskostenvergoedingen door de werkgever nog onbelast worden vergoed. Ook al worden deze reiskosten als gevolg van het thuiswerken niet meer (volledig) gemaakt. Voorwaarde is wel dat het vaste vergoedingen betreft, die al vóór 13 maart 2020 door de werkgever werden toegekend.

Heb je naar aanleiding van deze regelgeving vragen of hulp nodig, neem dan contact op met jou loonadviseur.

Aanwijzing massaal bezwaar box 3 over belastingjaar 2020

De afgelopen jaren hebben wij voor onze klanten, die hiervoor in aanmerking komen, massaal bezwaar box 3 ingediend. Centraal bij deze bezwaren staat de rechtsvraag of de box 3-heffing een inbreuk is op het eigendomsrecht. Deze inbreuk ontstaat doordat bij de belastingheffing een fictief rendement over het vermogen wordt berekend.  Het feitelijke rendement op risicomijdende beleggingen blijft de laatste jaren echter sterk achter. Hierdoor is er sprake van overmatige belastingheffing.

In een recente kamerbrief heeft de Staatssecretaris van Financiën, Hans Vijlbrief, besloten om de bezwaren tegen de box 3 heffing over belastingjaar 2020, net als voorgaande jaren, aan te wijzen als massaal bezwaar. Hij komt tot dit besluit vanwege het grote aantal bezwaren dat de Belastingdienst over box 3 over belastingjaar 2020 verwacht te ontvangen.

In deze aanwijzing is toegelicht dat de werkwijze voor de behandeling van de massaal bezwaarschriften 2020 gelijk is aan voorgaande jaren. Bij bezwaar op basis van inbreuk van het eigendomsrecht zal automatisch aangesloten worden bij de massaal bezwaar procedure.

Net als afgelopen jaren zullen wij ook de massaal bezwaar procedure over belastingjaar 2020 voor onze klanten uitvoeren. Indien er op basis van de definitieve aanslag inkomstenbelasting 2019 box 3 belasting verschuldigd is, zal automatisch bij de massaal bezwaar procedure aangesloten worden. Indien er in een eerder stadium aangegeven is dat er geen wens is om mee te willen doen, zullen wij ook over 2020 geen bezwaar indienen.

De eerdere massaal-bezwaar procedures hebben tot heden nog niet geleid tot een uitspraak bij de Hoge Raad. Wij houden alle deelnemers hierover geïnformeerd.

Heb je vragen over de massaal bezwaar procedure? Neem dan gerust contact met ons op.

Subsidie praktijkleren BBL schooljaar 2020-2021

Het lijkt nog ver weg, maar vanaf 2 juni 2021 is het weer mogelijk om een aanvraag in te dienen voor subsidie praktijkleren, schooljaar 2020-2021. De aanvraag moet vóór 15 september 2021 binnen zijn en kan worden aangevraagd via www.rvo.nl

Om de subsidie aan te kunnen vragen dient de werkgever in het bezit te zijn van een geldende praktijkleerovereenkomst, welke wordt afgegeven door de onderwijsinstelling en getekend is door het erkende leerbedrijf (de werkgever), het bevoegd gezag van de onderwijsinstelling en de deelnemer of zijn/haar wettelijk vertegenwoordiger.

De hoogte van de subsidie is afhankelijk van het aantal weken dat een leerbedrijf een BBL-student begeleidt. Voor werkgevers die te maken hebben (gehad) met gedwongen sluiting als gevolg van de corona-maatregelen, brengt RVO Nederland de weken, waarin de BBL-student niet begeleidt kon worden, niet in mindering op de subsidie.

Daarnaast kunnen erkende leerbedrijven in de sectoren landbouw, horeca en recreatie bovenop de reguliere subsidie praktijkleren een extra subsidiebedrag aanvragen als zij een BBL-student een leerplek aanbieden. Meer informatie hierover is te vinden op de website www.rvo.nl

Heb je naar aanleiding van deze subsidie vragen of hulp nodig bij het aanvragen, neem dan contact op met je loonadviseur.

Auto van de zaak, of toch privé?

Je bent van plan een auto te kopen of je wilt een auto zakelijk inbrengen. In beide gevallen is het interessant om af te wegen of de auto in privé of op de zaak fiscaal het voordeligst is. Deze vraag zien wij dan ook geregeld terugkomen in ons klantenbestand, beide opties hebben voor- en nadelen. Vaak zien we dat een ondernemer geneigd is om te kiezen voor een auto van de zaak, reden hiervan is bijvoorbeeld het voordeel van het terugvragen van de btw bij aanschaf. Echter is het verstandig om verder te kijken dan enkel de voordelen bij aanschaf. Onderstaand zijn enkele voor- en nadelen opgesomd:

Voordelen auto in privé:

  • Geen bijtelling;
  • Zakelijk gereden kilometers aftrekbaar van de winst ( € 0,19 per km);
  • Er hoeft geen btw betaald te worden over het privégebruik van de auto.

Nadelen auto in privé:

  • De aanschafkosten- en de verdere kosten voor de auto zijn voor privé;
  • De autokosten zijn niet aftrekbaar van de winst.

Voordelen auto van de zaak:

  • Bij aanschaf kan de btw worden teruggevraagd;
  • De afschrijving van de auto is aftrekbaar van de winst, evenals de auto kosten die worden gemaakt. Denk aan brandstof, reparatie en onderhoud, verzekeringen, motorrijtuigenbelasting etc.;
  • De onderneming betaalt alle kosten en is risicodragend.

Nadelen auto van de zaak:

  • Bijtelling, indien de auto voor meer dan 500 km per jaar privé wordt gereden. De bijtelling bedraagt een percentage van de cataloguswaarde van de auto. Een hoge cataloguswaarde zorgt dus voor een hoge bijtelling. De bijtelling voor elektrische auto’s stijgt in 2021 naar 12% van de cataloguswaarde;
  • Btw over privégebruik, indien er een sluitende kilometeradministratie wordt bijgehouden zal er btw moeten worden betaald over het werkelijk privégebruik. Indien er geen administratie is bijhouden waaruit het privégebruik blijkt, dan is de btw over het privégebruik 1,5% of 27% van de cataloguswaarde.

Dus ben je van plan een auto de kopen? Neem dan contact op met jouw relatiebeheerder en laat je adviseren wat in jouw situatie het voordeligst is!

Reminder tijdige registratie locatie paardachtigen

Per 14 april 2021 treed de Europese Diergezondheidsverordening in. Krachtens deze verordening zijn de houders van locaties waar paarden, pony’s, ezels of zebra’s (paardachtigen) verblijven verplicht om deze locaties te registreren in het I&R systeem. Dit is een aanvullende verplichting op de reeds geldende registratie van paardachtigen zelf. Tevens verplicht de verordening dat verblijfsplaatsen van paardachtigen beschikken over een Uniek Bedrijfsnummer (UBN).

Meer informatie omtrent de registratie van paardachtigen, de locatieregistratie en het UBN kun je vinden op de website van het RVO.

eHerkenning 3 voor TVL

Gebruik je eHerkenning niveau 1,2 of 2+, vraag dan nu e-Herkenning 3 aan, want vanaf 12 april is het verplicht voor de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL).  Vanaf 12 april 2021 kun je alleen nog TVL aanvragen met eH3 of hoger. Ook als je TVL Q1 2021 al hebt aangevraagd met eH1, eH2 of eH2+, dan heb je vanaf 12 april eH3 nodig om:

  1. jouw aanvraag in te zien en
  2. na de sluiting van TVL Q1 2021 jouw werkelijke omzet door te geven.

Aanvragen met DigiD blijft mogelijk als je bij de KVK geregistreerd staat als eigenaar of bestuurder van het bedrijf.

Betrouwbaarheidsniveau eH1, eH2 en eH2+ kun je nog wel voor TVL juni – september 2020 en TVL Q4 2020 gebruiken.

Waarom deze verandering?
We verhogen het inlogniveau van eHerkenning om het aanvragen veiliger te maken. Het aanvragen van eH3 duurt gemiddeld 1 tot 5 werkdagen. We raden je aan op tijd jouw aanvraag voor eH3 te doen.

eH3 aanschaffen
We beseffen dat we een extra inspanning van je vragen. Bovendien kost eH3 meer dan 1, 2 en 2+. Dat vinden we vervelend maar is helaas wel noodzakelijk. Op eherkenning.nl vindt je een overzicht van leveranciers en kosten. Op de website van het RVO krijg je meer informatie over wat de verhoging van het inlogniveau betekent.

Wat betekent het wetsvoorstel toekomst pensioenen voor ondernemers?

In navolging op het pensioenakkoord is de ‘Wet toekomst pensioenen’ in voorbereiding. Hoewel het pensioenakkoord vooral is bedoeld voor het pensioen voor werkgevers, kan deze nieuwe wetgeving ook invloed hebben op ondernemers, waaronder de werkgever zelf.

Hoger bedrag jaarlijks aftrekbaar

De meest concrete wijziging betreft een forse verruiming van het maximale bedrag dat met belastingvoordeel jaarlijks gespaard kan worden voor de ‘oude dag’ middels een lijfrente. Dat is in het bijzonder interessant voor jongere ondernemers, kleine c.q. parttime ondernemers en ondernemers die een grote inhaalslag te maken hebben.

Meedoen in de pensioenregeling van werknemers?

Oude ondernemers en ondernemers met gezondheidsissues: opgelet! Er wordt een experimenteerbepaling in de pensioenwet opgenomen, die het mogelijk maakt voor zelfstandigen om zich vrijwillig te kunnen aansluiten bij de pensioenregeling die bedoeld is voor werknemers. Of anders gezegd: pensioenuitvoerders mogen zelfstandigen toelaten voor de pensioenregeling. Hoewel het begrip ‘zelfstandige’ niet wordt gedefinieerd, lijkt deze mogelijkheid vreemd genoeg niet bedoeld voor de DGA.

Het idee is dat er, in tegenstelling tot de keuzevrijheid bij werknemers, voor de ondernemer wel flexibiliteit bestaat in de hoogte van de maandelijkse premie die wordt betaald aan de pensioenuitvoerder. De proefperiode gaat vier jaar duren. Afhankelijk van het succes ervan kan besloten worden om de proefperiode om te zetten naar permanente wetgeving.

Wij verwachten dat veel ondernemers niet zitten te wachten op een vrijwillige aansluiting. Waarom zou een ondernemer nu wel ineens gaan sparen voor pensioen, waar zij dit voorheen niet deden met bijvoorbeeld een lijfrente?

Wij zien in principe twee redenen waarom ondernemers dit wel gaan doen:

  1. Oudere ondernemers die zo ‘gunstig’ een maximaal pensioen kunnen inkopen.
  2. Ondernemers die problemen hebben om individueel nabestaandenpensioen en/of arbeidsongeschiktheidspensioen te verzekeren.

Voor startende ondernemers

Werknemers die overwegen als zelfstandige verder te gaan kunnen bij beëindiging van het dienstverband rekenen op een uitloopperiode van drie maanden waarin zij nog dekking houden voor nabestaandenpensioen. Zo heb je als startend ondernemer net even langer de tijd om dit voor jezelf te regelen.

DGA

Heb je als directeur-grootaandeelhouder (DGA) je pensioen nu bij een verzekeraar ondergebracht? Dan zal de hierop van toepassing zijnde wetgeving veranderen per 2022. Het overgangsrecht geeft ruimte om in de periode tót 2026 nadere keuzes te maken over de bestaande regeling. Dit overgangsrecht is gebaseerd op de pensioenwet. Aangezien de pensioenwet niet van toepassing is op DGA’s, is nog enigszins onduidelijk in hoeverre DGA’s van dit overgangsrecht gebruik kunnen maken en derhalve mogelijk al eerder een aanpassing gedaan moeten hebben.

Meer richting arbeidsvorm-neutrale opbouw

De toelichting bij de wet maakt duidelijk dat het de bedoeling is om de verschillen tussen pensioenopbouw voor werknemers ten opzichte van ondernemers te verkleinen. Deze verschillen bestaan omdat de wetgeving voor pensioenopbouw in de zogenaamde tweede pijler afwijkt van de derde pijler. De bedoeling is om de verschillen tussen deze pijlers weg te gaan nemen en te komen tot een arbeidsvorm-neutrale pensioenopbouw. Wat er onder andere gelijkgetrokken wordt zijn:

  1. De mogelijkheden om pensioen in te halen.
  2. De mogelijkheid om een lijfrente ook tijdelijk voor een hoger bedrag te laten uitkeren.
  3. De mogelijkheid om een lijfrente over een vastgestelde tijdelijke periode uit te keren komt te vervallen.
  4. Het betrekken van de bijtelling van de auto van de zaak in de grondslag voor pensioenopbouw.
  5. De verschillen met doorbeleggen vanaf de pensioenleeftijd.

Dit is momenteel nog slechts de intentie van de wetgever. De manier waarop men dit verwacht te realiseren is nog niet bekend.

Wat nu?

De verwachte wijzigingen zullen naar verwachting niet direct nadere actie behoeven. Alleen de DGA die al een verzekerde regeling heeft zal goed in de gaten moeten houden welk actie er voor het jaareinde nodig is. Voor de rest geldt dat er alleen in specifiekere situaties aandacht nodig is voor mogelijk nieuwe opties en veranderingen in de toekomst, en kan er pas actie worden ondernomen zodra wetgeving wordt aangenomen en daadwerkelijk van kracht wordt.

Als breed georiënteerd adviesbureau kunnen wij je ook ondersteuning bieden bij vraagstukken omtrent jouw pensioen(-opbouw). Meer weten? Neem gerust contact met ons op.

Controle en definitieve eindafrekening NOW

“Accountant neemt flinke hap uit coronasteun voor ondernemer”, kopt het Financieel Dagblad op 12 januari 2021. Hiermee doelt het Financieel Dagblad op de hoge accountantskosten voor het opstellen van de verantwoording voor de definitieve berekening voor de NOW. Zeker bij de kleine steunaanvragen valt de verantwoording vanuit de accountant procentueel gezien vaak duur uit. Hierbij gaat het Financieel Dagblad voor het gemak even voorbij aan het feit dat de accountants de regels omtrent de verantwoording van de NOW niet bedacht hebben maar slechts opgelegd hebben gekregen. Wat is dan nu precies de rol van de accountant in de verantwoording van de NOW en welke werkzaamheden verricht deze daarbij? De verantwoording van de NOW kent verschillende gradaties. Lenssen Advies is in staat om voor drie soorten verantwoordingen werkzaamheden te verrichten. Deze drie soorten worden onderstaand toegelicht.

1. UWV formulier

De basis van alle definitieve eindafrekeningen voor de NOW is het UWV-formulier. Middels dit formulier wordt de relatieve omzetdaling in de meetperiode ten opzichte van de referentieperiode doorgegeven aan het UWV. Doorgaans betreft de referentieperiode het boekjaar 2019, slechts in enkele klant specifieke casussen wijkt dit af. De meetperiode betreft drie aaneengesloten maanden die liggen tussen maart en juli 2020. Voor casussen met een voorschot kleiner dan € 20.000 en een eindafrekening kleiner dan € 25.000 geldt dat het indienen van enkel een UWV formulier volstaat. Het omzetverlies is hierbij volledig gebaseerd op de kolommenbalans. Hierbij is het echter wel van belang dat de omzet voldoende periodiek gemaakt is en dat deze volledig is opgenomen.

2. Derdenverklaring

Voor klanten met een voorschot tussen € 20.000 en € 100.000 en een eindafrekening tussen € 25.000 en € 125.000 dient een derdenverklaring toegevoegd te worden aan het UWV-formulier. Ten opzichte van enkel het UWV-formulier is het baseren op uitsluitend de kolommenbalans niet voldoende. Voor de derdenverklaring dient een dossier opgebouwd te worden waarbij minimaal gekeken wordt naar de aansluiting, de juiste en volledige uitbetaling van de loonsom, de nieuwe omzetstromen of overige baten van de onderneming, het moment waarop de omzet daadwerkelijk gerealiseerd is en daarnaast dienen alle bovengenoemde punten onderbouwd te zijn met documentatie.

3. Samenstelverklaring (4415N)

Voor klanten met een voorschot boven de € 100.000 en een eindafrekening boven de  € 125.000 is een samenstelverklaring (4415N) van de accountant benodigd. Anders dan bij de hierboven genoemde derdenverklaring wordt bij de samenstelverklaring niet uitsluitend ingezoomd op het huidige boekjaar. Naast het huidig boekjaar dienen ook werkzaamheden verricht te worden met betrekking tot de referentieperiode. Dit betekent concreet dat de werkzaamheden die bij de derdenverklaring uitgevoerd worden voor de meetperiode en omliggende periodes ook uitgevoerd dienen te worden voor de referentieperiode.

Accountant

Ten aanzien van de verantwoording met betrekking tot de NOW wordt door de Rijksoverheid een andere rol en hiermee een ander gedrag van de accountant verwacht dan gebruikelijk. Van de accountant wordt verwacht dat deze minder stuurt op vertrouwen en meer op controle. Daarnaast wordt van de accountant verwacht dat hij met een controlerende en kritische blik kijkt naar de cijfers van de klanten en deze toetst aan de hand van de door de Rijksoverheid haastig opgestelde wet- en regelgeving.  Daarnaast dient de accountant rekening te houden met afwijkingen tussen wat het UWV technisch kan realiseren en de wet- en regelgeving die de Rijksoverheid heeft opgesteld. Het resultaat hiervan is een dubbelrol voor de accountant. Aan de ene kant is het aan de accountant om proactief te handelen en de klant te ontzorgen en aan de andere kant dient de accountant de haastig opgestelde wet- en regelgeving in acht te nemen bij het controleren van de cijfers.

Tijdelijke goedkeuring vaste reiskostenvergoeding voor thuiswerkdagen verlengd tot 1-7-2021

Veel werkgevers verstrekken een vaste reiskostenvergoeding voor woon-werkverkeer uitgaande van 214 reisdagen per jaar. Bij deze 214 dagen is al rekening gehouden met vakantiedagen, ziektedagen en incidenteel thuiswerken.

In het voorjaar van 2020 keurde de Staatssecretaris van Financiën goed, dat de vaste reiskostenvergoeding door mochten blijven lopen, ook voor de dagen dat werknemers in verband met de coronamaatregelen thuis werken.

In onze vorige nieuwsbrief werd vermeld dat de tijdelijke goedkeuring voor het onbelast uitkeren van vaste reiskostenvergoedingen woon-werkverkeer voor thuiswerkdagen afliep op 1 april 2021. Dit is inmiddels verlengd tot 1 juli 2021.

De regels, zoals ze in eerste instantie per 1 april 2021 zouden gaan gelden, blijven wel gewoon in stand en gaan in per 1 juli 2021.

Heeft u naar aanleiding van deze regelgeving vragen of hulp nodig, neem dan contact op met uw loonadviseur.

 

Opnieuw verlenging TVL- regeling

Inleiding

De Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 (TVL-regeling) is opnieuw verlengd en inmiddels zijn ook de voorwaarden bekend behorend bij de derde periode. Deze derde periode bestrijkt de maanden januari, februari en maart 2021. Ook deze TVL-regeling betreft een tijdelijke subsidieregeling om getroffen MKB-ondernemers en zzp’ers in staat te stellen hun vaste lasten te blijven betalen. Daarnaast is er meer bekend over de verschillende opslagen, zoals die voor de evenementenbranche en de gesloten detailhandel. Ook staan we alvast kort stil bij de aangekondigde wijzigingen tijdens de persconferentie van 21 januari 2021.

Subsidie en voorwaarden

Zoals hiervoor is aangehaald, is er sprake van een verlenging van de TVL voor het eerste kwartaal van 2021. De meeste voorwaarden van de regeling die golden voor de tweede periode – ofwel het vierde kwartaal van 2020 – gelden onverkort voor het eerste kwartaal van 2021. Een belangrijke wijziging is echter de referentieperiode. Deze is bepaald op de periode januari, februari en maart 2019. Zou je een referentieperiode van 12 maanden terug tot uitgangspunt moeten nemen, dan is er overlap met de start van de eerste lockdown, te weten per half maart 2020. Dit zou niet representatief zijn. Mocht je klant op 1 januari 2019 nog niet gestart zijn, dan valt hij terug op het eerste gehele kalenderkwartaal volgend op de maand waarin de ondernemingsactiviteiten werden gestart. Zodoende kan er zoveel mogelijk gebruik worden gemaakt van de kwartaalomzetcijfers die ook bekend zijn bij de Belastingdienst. Die cijfers heb je doorgaans in je bezit.

Goed om te weten is dat alle sectoren in beginsel aanspraak kunnen maken op deze TVL. Er is namelijk besloten om nog niet te starten met het afbouwpad. Wel is beslist dat er in het eerste kwartaal van 2021 niet opnieuw een eenmalige opslag voor eet- en drinkgelegenheden (HVA-opslag) wordt aangeboden. Hoe deze opslag over het vierde kwartaal van 2020 moet worden berekend, is inmiddels wel duidelijk geworden.

Voor het overige is er niets nieuws onder de zon. We herhalen kort de belangrijkste onderdelen:

  • de maximale omvang van de TVL over het eerste kwartaal is € 90.000, het minimum € 750;
  • het moet gaan om een MKB-onderneming of zzp’ er;
  • je klant moet op 15 maart 2020 in het handelsregister zijn ingeschreven;
  • het omzetverlies moet ten minste 30% bedragen;
  • je klant moet per kwartaal ten minste € 3.000 aan vaste lasten hebben;
  • je klant mocht niet al op 31 december 2019 in financiële moeilijkheden hebben verkeerd;
  • per kwartaal moet er een aanvraag worden ingediend (je kunt dus niet direct over alle perioden een aanvraag voor je klant indienen).

Daarnaast moet je klant een vestiging in Nederland hebben, waarvan in ieder geval één op een ander adres dan de privéwoning van de ondernemer. Of er moet een vestiging zijn die fysiek afgescheiden is van de privéwoning van de ondernemer en die voorzien is van een eigen opgang of toegang. Deze eisen gelden overigens niet voor horeca- en ambulante ondernemingen en is uitgebreid met meer SBI-codes. Voor een horecaondernemer is het voldoende dat hij of zij ten minste één horecagelegenheid huurt, pacht of in eigendom heeft.

Omzetverlies en bepalen hoogte subsidie

Doordat een oplopend subsidiepercentage is geïntroduceerd, zal dit beter aansluiten bij het omzetverlies van je klant. Je klant hoeft ook niet meer altijd zelf 50% van de vaste lasten te dragen, maar moet wel steeds een omzetverlies van ten minste 30% hebben geleden. Dit wordt berekend door het verschil tussen de omzet in de referentieperiode en de omzet in de subsidieperiode te bepalen en deze te delen door de omzet in de referentieperiode. De uitkomst van deze berekening wordt uitgedrukt in hele procenten. Voor de som van de omzet tellen subsidies verkregen met het oog op de bestrijding van de negatieve gevolgen van Covid-19 niet mee.

De maximale subsidie bedraagt € 90.000 per bedrijf per drie maanden. De berekening luidt als volgt:

A x B x C x D

A = omzet in de referentieperiode, uitgedrukt in euro’s

B = omzetverlies, uitgedrukt in hele procenten

C = aandeel vaste kosten van de omzet, uitgedrukt in procenten

D = de formule 28,57% x B + 41,43%

Voorheen zou D gelijk staan aan 50%. In plaats van een vast subsidiepercentage van 50% wordt dit percentage nu bepaald op basis van het omzetverlies. Deze berekening voor D komt voor B= 30% uit op 50% subsidie en voor B= 100% uit op 70% subsidie. Ook voor omzetverlies tussen deze genoemde percentages wordt het subsidiepercentage bepaald op basis van de genoemde formule. Zo wordt bij 65% omzetverlies het subsidiepercentage 60%.

Is de uitkomst van de berekening minder dan € 750 dan bedraagt de subsidie € 750.

De berekening van de opslag voor eet- en drinkgelegenheden (HVA-opslag) over het vierde kwartaal van 2020 verandert vanzelfsprekend ook. Dit wordt berekend aan de hand van de formule:

A x B x 5,6% x (28,57% x B + 41,43%).

Aangekondigde uitbreiding

Tijdens de persconferentie op 21 januari 2021 is een verdere uitbreiding van de TVL aangekondigd. Deze zijn nog niet geformaliseerd. De wijzigingen betreffen de volgende punten:

  • de TVL komt beschikbaar voor alle bedrijven in Nederland, dus ook voor niet-mkb bedrijven met meer dan 250 werknemers;
  • het oplopend subsidiepercentage van 50% tot 70% wordt vervangen door een percentage van 85% voor alle ondernemers met een omzetverlies vanaf 30%;
  • het minimumbedrag per kwartaal aan vaste lasten wordt verlaagd van € 3.000 naar € 1.500;
  • het minimum subsidiebedrag wordt verhoogd van € 750 naar € 1.500 per kwartaal;
  • het maximum subsidiebedrag wordt verhoogd van € 90.000 naar € 330.000 voor mkb-bedrijven (maximaal 250 medewerkers) en € 400.000 voor niet mkb-bedrijven (meer dan 250 medewerkers);
  • de Voorraadsubsidie Gesloten Detailhandel (VGD, zie ook hierna) wordt verlengd met het eerste kwartaal van 2021. Daarbij wordt het opslagpercentage verhoogd van 5,6% naar 21% bovenop het vaste lastenpercentage van de TVL en het maximum van de opslag gaat van € 20.160 naar € 200.000;
  • er komen aparte opslagen voor de reissector en de land- en tuinbouwsector;
  • er komt een aparte regeling voor ondernemers die tussen 30 september 2019 en 30 juni 2020 met hun onderneming zijn gestart.

De wijzigingen zijn nog niet ingevoerd. Je kunt al wel een TVL-aanvraag indienen voor het eerste kwartaal van 2021 (zie hierna) op grond van de bestaande regeling. Als de aangekondigde maatregelen werkelijkheid worden en je mkb-klant voldoet aan de voorwaarden, dan ontvangt hij of zij  later van de RVO een extra voorschot. Niet-mkb bedrijven kunnen pas later TVL aanvragen. Klanten die per kwartaal minder dan € 3.000 aan vaste lasten hebben, kunnen al wel een TVL-aanvraag indienen, maar die handelt de RVO pas af als de verlaging naar € 1.500 in het systeem is verwerkt. Voor meer detailinformatie over de aangekondigde wijzigingen klik hier.

Vaste lasten

Je klant ontvangt de subsidie om in een periode van weinig omzet toch zijn vaste lasten te kunnen blijven voldoen. Het gaat dan om de overige bedrijfskosten. Variabele kosten vallen daar niet onder.  De regeling gaat uit van een vast percentage aan vaste lasten per sector. Deze behoeft dus niet zelf te worden berekend.

Aanvraagperiode

De subsidie over het eerste kwartaal van 2021 kan worden aangevraagd van 15 februari 12:00u tot en met 30 april 2021, vóór 17:00u met het formulier op RVO.nl. Hierop zal binnen acht weken worden beslist. Wanneer de subsidie wordt verleend, zal er een eenmalig voorschot van 80% worden uitgekeerd. Het verzoek om vaststelling van de subsidie dient vervolgens voor 1 oktober 2021 plaats te hebben gevonden. Houd er rekening mee dat je klant zijn of haar administratie tot 10 jaar na de beschikking tot subsidievaststelling moet bewaren. Bovendien moet je klant tot 5 jaar medewerking verlenen aan evaluaties rondom doeltreffendheid en de effecten van de verleende subsidie.

Evenementenmodule

Je klant in de evenementenbranche zal het vaak moeten hebben van een omzet in de lente- en zomermaanden. De omzet in de winter ligt een stuk lager en daarom kunnen zij vaak niet met de gebruikelijke regeling uit de voeten. Voor de evenementenbranche is er daarom een bijzondere module over het 4e kwartaal van 2020 geïntroduceerd. De subsidie is bedoeld voor:

  • het midden- en kleinbedrijf, inclusief zzp’ers;
  • die voor hun omzet tijdens het evenementenseizoen (april tot en met september) in belangrijke mate afhankelijk zijn van evenementen tijdens dat seizoen;
  • waarbij een evenement is een georganiseerde, incidentele en voor het publiek toegankelijke gebeurtenis, bijgewoond door een verzameling mensen die zich daarvoor in een bepaald tijdvak en in een inrichting of op een terrein bevindt en beweegt (dus niet online).

De onderneming die hier aan voldoet, moet in het tweede en derde kwartaal van 2019 voor ten minste 50% van zijn omzet goederen of diensten hebben geleverd ten behoeve van een in dat evenementenseizoen gehouden evenement. Ook toeleveranciers en organisatoren vallen hier onder. Bovendien moet de onderneming voor de periode juni tot en met september 2020 een TVL hebben ontvangen. Specifiek voor de evenementenbranchemodule geldt verder dat zij niet in aanmerking mogen komen voor de TVL voor de vaste lasten in de periode oktober tot en met december 2020. Komen zij hiervoor wel in aanmerking, dan wordt aangenomen dat zij in mindere mate afhankelijk zijn van het evenementenseizoen. Ook moet de onderneming al vóór 14 september 2019 voor het eerst zijn ingeschreven in het handelsregister.

Verder gelden de reguliere voorwaarden, zoals de eis dat de onderneming op 15 maart 2020 moest zijn ingeschreven in het handelsregister, dat de hoofd- of nevenactiviteit in de betreffende bijlage  moest zijn vermeld en dat aan het vestigingsvereiste wordt voldaan, tenzij sprake is van een ambulante onderneming. Ook gelden de reguliere afwijzingsgronden.

Start aanvraagperiode eerste kwartaal

Omdat deze specifieke subsidie voor de evenementenbranche wel bijdraagt aan de vaste lasten die doorlopen in het najaar, maar niet het gehele bedrag dekt, zal 33,3% van het subsidiebedrag worden gesubsidieerd, met een minimum van € 750. Aanvragen voor het eerste kwartaal van 2021 kunnen worden ingediend van 18 februari 12.00u tot en met 18 maart 2021 vóór 17.00u. Denk er dus aan om dit nog extra voor je klant aan te vragen, indien hij of zij aan de voorwaarden voldoet. Een ondernemer die aan de voorwaarden van de evenementenmodule voldoet, ontvangt een bericht van de RVO.

De evenementenmodule geldt in 2021 alleen voor het eerste kwartaal.

Opslag voorraadverliezen detailhandel

De opslag Voorraadsubsidie Gesloten Detailhandel (VGD) is bedoeld om de eenmalige variabele kosten van je klanten te dekken, omdat zij goederen niet konden verkopen door de verplichte lockdown en die goederen nu in waarde zijn gedaald of onverkoopbaar zijn geworden. Bijvoorbeeld kerst- of jaarwisselingsartikelen. Voldoet jouw klant aan de nadere voorwaarden, dan zal de opslag over het  vierde kwartaal van 2020 ambtshalve worden toegepast. De voorwaarden zijn dat de op 15 maart 2020 in het handelsregister ingeschreven hoofdactiviteit onder één van de volgende gedefinieerde SBI-codes valt: 47.19, 47.26, 47.4, 47.5, 47.6, 47.71, 47.72, 47.75, 47.76, 47.78, 47.79, 47.82, 47.89.2 of 47.89.9 en dat de onderneming vanwege de tweede lockdown gesloten is geweest.

De hoogte van de opslag wordt als volgt berekend: referentieomzet, uitgedrukt in euro’s (A) * omzetverlies, uitgedrukt in procenten (B) * 5,6% * het subsidiepercentage (D), met een maximum van € 20.160. Ondernemingen die tussen 29 februari 2020 en 15 maart 2020 zijn ingeschreven in het handelsregister, ontvangen een vaste opslag van € 101. Voor de aangekondigde wijzigingen in de VGD zie hiervoor. Ook de VGD geldt in 2021 alleen voor het eerste kwartaal.

Tot slot

De TVL-regeling kent diverse uitzonderingen. Deze laten zich niet eenvoudig vatten in een beknopte samenvatting. Wij helpen je dan ook graag wanneer een eindklant wil weten of hij aanspraak kan maken op deze vorm van subsidie of wanneer je hulp nodig hebt bij het opstellen van de berekeningen.