Scholingsuitgaven

Sinds 2016 heeft de wetgever het voornemen om de scholingsuitgavenaftrek te vervangen door een subsidieregeling. Alles wijst erop dat de wetgever vanaf 2022 een subsidieregeling voor studiekosten invoert voor werkenden en werkzoekenden en dat de scholingsuitgavenaftrek wordt afgeschaft.

Derhalve kun je als belastingplichtige nog in de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2021 de kosten voor je opleiding in aftrek brengen op je belastbaar inkomen uit werk en woning. De scholingsuitgaven moeten voldoen aan de volgende voorwaarden:

  1. De kosten moeten zelf door de belastingplichtige worden gedragen. Dit houdt bijvoorbeeld in dat de kosten niet vergoed mogen worden door de werkgever of een familielid. Deze voorwaarde zou omzeild kunnen worden door de scholingskosten met een lening te vergoeden.
  2. Er moet een opleiding of studie gevolgd worden. Het behalen van een diploma is geen vereiste.
  3. De studie of opleiding moet zijn aangegaan met het oogmerk om inkomsten uit werk en woning te verwerven. Kortom betekent dit dat de opleiding als doel heeft om een betere financiële positie te verkrijgen. Helaas vallen uitgaven voor autorijlessen en taalcursussen niet onder deze regeling.

Daarnaast geldt de scholingsuitgavenaftrekpost niet voor personen die recht hebben op studiefinanciering en moeten de scholingskosten boven de drempel van € 250,- uitkomen. Voor de scholingsuitgavenaftrek geldt maar een maximum van € 15.000,- per belastingplichtige.

Kosten die in aanmerking komen voor scholingsuitgavenaftrek zijn bijvoorbeeld: lesgeld, cursusgeld, examengeld, promotiekosten, door de onderwijsinstelling verplicht gestelde leermiddelen (met uitzondering van computer en bijbehorende randapparatuur). De bewijslast dat de kosten studie gerelateerd zijn en beogen om de financiële positie te verbeteren liggen bij de belastingplichtige.

In plaats van de scholingsuitgavenaftrek komt er vanaf 2022 een subsidieregeling, de zogeheten STAP-Budget : STimulans voor de Arbeidsmarkt Positie. Met deze regeling kunnen werkenden en werkzoekenden een budget van € 1.000,- per jaar aanvragen op de site van het UWV voor het volgen van een STAP-geregistreerde opleiding. De wetgever hoopt dat de subsidieregeling vanaf maart 2022 online is.

Wij houden de nieuwe regeling dan ook goed in de gaten en zullen je berichten hoe jij er gebruik van kan maken in 2022. In de tussentijd beantwoorden wij alle vragen over de huidige scholingsuitgavenaftrek.

Risico-inventarisatie (RIE)

Zoals wellicht bekend neemt de Inspectie SZW ( “Arbeidsinspectie”) dit jaar een achttal sectoren extra scherp onder de loep. De zgn. sectorprogramma’s van de Inspectie SZW hebben betrekking op:

  • Bouw & Infra
  • Agrarisch & Groen
  • Horeca ( Arbeidstijdenwet)
  • Industrie
  • Zorg
  • Transport en Logistiek
  • Uitzendbureaus
  • Schoonmaak

Een van de eerste vragen die er gesteld wordt door de Inspectie bij binnenkomst is inzage in de Risico-inventarisatie ( RIE),  het bijbehorende Plan van Aanpak en het Basiscontract Arbodienstverlening.

In de praktijk blijkt dat niet iedereen dit even goed op orde heeft. We helpen je graag op weg wanneer je niet goed weet hoe te beginnen. Neem hiervoor contact op met de HR-adviseur van Lenssen Advies .

TONK regeling

Is jouw inkomen aanzienlijk gedaald door de coronacrisis en kun jij hierdoor noodzakelijke kosten als woonkosten niet meer betalen? Dan kan de Tijdelijke Ondersteuning Noodzakelijke Kosten (TONK) misschien helpen. Je vraagt TONK aan via de website van jouw gemeente.

Je kan van deze regeling gebruikmaken als jij door de huidige omstandigheden te maken hebt met een onvoorzienbare en onvermijdelijke terugval in jouw inkomen, waardoor je de noodzakelijke kosten van levensonderhoud niet meer kunt voldoen. Hiervoor bieden andere regelingen niet of onvoldoende soelaas.

Je hebt bijvoorbeeld jouw baan verloren en geen recht (meer) op een uitkering. Maar ook als je al in 2020 bent ingestroomd in een uitkering (WW, Bijstand of Tozo) vanwege de coronacrisis, maar de hoogte van de uitkering onvoldoende is om jouw vaste lasten ( bijv. woonlasten) te betalen, kom je in aanmerking voor de TONK.

De TONK kan dan voorzien in een (gedeeltelijke) tegemoetkoming voor noodzakelijke kosten.

Je kan nog een aanvraag doen voor de TONK!

De aanvraag is voor maximaal 9 maanden: vanaf 1 januari 2021 tot en met 30 september 2021. Aanvragen kan ook met terugwerkende kracht. Je vraagt de TONK-uitkering aan voor de maanden dat je de aanvulling op jouw inkomen echt nodig hebt.

(Tijdelijk) verhoogde vrijstelling schenkbelasting

Het is in ons land toegestaan een belastingvrije schenking te doen. Het doen van een belastingvrije schenking is echter wel aan voorwaarden verbonden. Welk bedrag mag dit jaar belastingvrij geschonken worden? Meer daarover lees je in dit artikel.

In 2021 is de jaarlijkse vrijstelling schenkbelasting van ouders aan kinderen tijdelijk verhoogd van € 5.515 naar € 6.604. Ook het bedrag dat belastingvrij aan derden mag worden geschonken is tijdelijk verhoogd van € 2.208 naar € 3.244. Voor schenkingen die binnen deze vrijstelling vallen, hoeft geen aangifte schenkbelasting te worden ingediend.

Naast de jaarlijkse schenkingsvrijstelling is er de eenmalig verhoogde schenkingsvrijstelling van ouders aan kinderen. Deze vrijstelling kent 3 vormen en is gebonden aan voorwaarden.

  1. Eenmalig bedrag van maximaal € 26.881 belastingvrij schenken door ouder aan kind
  2. Schenking van maximaal € 55.996 door ouders aan kinderen voor de kosten van een studie die hoger is dan gebruikelijk. Het kind moet de hoogte van de studiekosten kunnen aantonen.
  3. Schenking van maximaal € 105.302 ten behoeve van de aankoop, onderhoud of verbetering eigen woning van het kind. Ook voor aflossing van hypotheek kan dit bedrag worden ingezet. Het kind moet kunnen aantonen dat het geschonken geld is gebruikt voor de eigenwoning.

Ook derden (bijvoorbeeld oom, tante, opa en oma) kunnen ten behoeve van de eigen woning van de verkrijger een eenmalige schenking doen van maximaal € 105.302. De verkrijger moet ook dan kunnen aantonen dat het geld is gebruikt voor de eigen woning.

Voor alle boven genoemde verhoogde vrijstellingen geldt dat de ontvanger van de schenking tussen 18 en 40 jaar moet zijn en dient aangifte schenkbelasting te worden gedaan. Je kunt gebruik maken van een van de drie eenmalig verhoogde vrijstellingen. Eenmaal gekozen voor een optie, kan niet meer gebruik worden gemaakt van een andere optie. Aanvulling is onder omstandigheden nog mogelijk, informeer dan bij je contactpersoon naar de mogelijkheden.

De aangifte schenkbelasting moet binnen twee maanden (voor 1 maart) na het jaar waarin de schenking is gedaan, worden ingediend.

Op dit moment gaan er geluiden dat de verhoogde schenkingsvrijstelling voor de eigen woning afgeschaft gaat worden. Overweeg je een schenking in verband met de eigen woning? Bekijk of de schenking nog dit jaar gedaan kan worden om te voorkomen dat jij of jouw kind de vrijstelling mis loopt.

Wil je geld aan jouw kinderen schenken? Wij adviseren je graag hoe je het beste kan schenken.

Geld lenen bij de B.V. en de Wet excessief lenen

Bij voldoende liquiditeit in de B.V. is het voor directeur-grootaandeelhouders (DGA’s) mogelijk om geld te lenen bij hun eigen B.V. om hiervan bijvoorbeeld een verbouwing van het huis of de aankoop van een lang gewenste vakantiewoning te financieren. Het voordeel van lenen bij de B.V. ten opzichte van een dividenduitkering is dat zo de box 2-heffing van 26,9% kan worden uitgesteld. Daarnaast kan het lenen bij de eigen B.V. een belastingbesparing opleveren in Box 3.

De voorwaarden

Aan het geld lenen worden door de Belastingdienst een aantal voorwaarden gesteld. Zo moet de lening schriftelijk worden vastgelegd in een leningsovereenkomst waarin in ieder geval afspraken gemaakt moeten worden over de volgende zaken:

  • Terugbetaling van de lening (looptijd en termijnen van aflossing)
  • Voldoende zekerheid voor de B.V.
  • “Zakelijke rente”

Bovenstaande afspraken moeten “zakelijk” zijn. Concreet betekent dit dat als een willekeurige derde partij zich zou melden bij de B.V. voor een financiering van hun plannen, de B.V. deze onder dezelfde voorwaarden ook aan hem/haar zou verstrekken.

Excessief lenen

Momenteel zit er nog geen limiet op het lenen bij de B.V., maar hier komt binnenkort verandering in. Vanaf 1 januari 2023 treedt namelijk de Wet excessief lenen in werking. Hierdoor wordt het lenen bij de eigen B.V. gemaximaliseerd op € 500.000. Dit geldt voor het vermogen van de DGA en zijn/haar eventuele partner gezamenlijk, hierbij wordt geen onderscheid gemaakt of er eventuele huwelijkse voorwaarden van toepassing zijn. De enige uitzondering hierop zijn eigenwoningleningen.

In de wet staat beschreven dat vanaf de peildatum van 31 december 2023 over alle nog openstaande schuld boven de € 500.000 afgerekend dient te worden in Box 2 tegen het dan geldende tarief (momenteel 26,9%).

Voorbeeld

Stel, je hebt op 31 december 2023 geld geleend van de B.V. voor de aanschaf van een tweede woning van € 750.000. Er moet dan over het bedrag boven de € 500.000, in dit geval € 250.000, direct 26,9% Box II-heffing worden voldaan, dit bedraagt € 67.250.

Verbonden personen

De Wet excessief lenen wordt ook van toepassing op leningen die zijn aangegaan bij de B.V. aan de DGA of zijn/haar partner zogenoemde verbonden personen. Denk hierbij aan ouders, kinderen en kleinkinderen van de DGA en/of zijn/haar partner. Het bedrag boven het maximumbedrag van € 500.000 wat je aan een verbonden persoon hebt uitgeleend wordt toegerekend aan de DGA voor het berekenen van de BOX-2 heffing.

Voorbeeld

Stel, je hebt op 31 december 2023 zelf een lening (niet zijnde eigenwoninglening) van € 400.000 lopen bij je B.V. Daarnaast heeft je zoon ook een lening (niet zijnde eigenwoninglening) van € 650.000 lopen bij je B.V. De bovenmatige schuld aan zoon van € 150.000 (€ 650.000 – € 500.000) wordt toegerekend aan jou. Hierdoor ontstaat een schuld van € 550.000 (€ 400.000 + 150.000). Over de € 50.000 die bovenmatig is geleend, dient direct door de DGA 26,9% (€ 13.450) belasting betaald te worden.

Tijdig maatregelen treffen

Indien je momenteel over een zogenoemde excessieve schuld beschikt, heb je dus nog tot 31 december 2023 om dit op te lossen.

Wil je meer weten over de gevolgen van de Wet excessief lenen voor jou en hoe je hier in jouw situatie het beste mee om kunt gaan? Of heb je vragen over geld lenen van je B.V. in het algemeen? Neem dan contact op met je relatiebeheerder.

Ondertekenen van een arbeidsovereenkomst door een minderjarige werknemer

Een werknemer van 16 jaar of ouder mag zonder toestemming van een ouder of voogd zelfstandig een arbeidsovereenkomst aangaan met zijn of haar werkgever. Echter zijn er in bepaalde bedrijfstakken ook 13- 14- en 15 jarigen werkzaam. Zij gaan ook een arbeidsovereenkomst aan met hun werkgever. Voor 13- 14- en 15 jarige werknemers geldt dat hiervoor toestemming van ouders of verzorgers nodig is en dient niet alleen de werknemer, maar ook de ouder(s) of voogd(en) de overeenkomst te ondertekenen.

Mocht je een arbeidsovereenkomst aan willen gaan met een werknemer jonger dan 16 jaar, zorg er dan voor dat hierin ook de gegevens van de ouder(s) of voogd(en) worden opgenomen ter ondertekening.

Arbeidstijdenwet (ATW)

Volgens de Arbeidstijdenwet is een persoon jonger dan 16 jaar een kind en 16- en 17 jarigen worden jeugdigen genoemd. In deze wet is een verbod op kinderarbeid opgenomen in verband met de veiligheid, gezondheid en ontwikkeling van kinderen. In de Arbeidstijdenwet zijn er een aantal uitzonderingen opgenomen. Deze uitzonderingen maken het, ondanks het “kind zijn”, toch mogelijk om betaalde werkzaamheden te verrichten voor een werkgever. Arbeid voor kinderen kan naast de negatieve effecten namelijk ook positieve effecten hebben. Raadpleeg alvorens je een 13- 14- of 15 jarige voor je laat werken, dus altijd de Arbeidstijdenwet. Hierin staat wat wel en niet kan en mag op het gebied van bijvoorbeeld werktijden, fysieke en mentale belasting en het werken met gevaarlijke stoffen.

Verlaging AWF-premie per 1 augustus 2021

Vanaf 1 augustus worden de premiepercentages van de premie voor het Algemeen Werkloosheidsfonds (Awf) voor de rest van het jaar 2021 verlaagd. De verlaging heeft te maken met het vrijvallen van budget, nadat is besloten de baangerelateerde investeringskorting (BIK) in te trekken.

Het premiepercentage van de lage premie – over het loon van werknemers met een vast contract – wordt verlaagd van 2,7% naar 0,34%. Het premiepercentage over het loon van andere werknemers daalt van 7,7% naar 5,34%. Voor beide premiepercentages geldt dus een daling van 2,36 %. Het verschil tussen de hoge en de lage Awf-premie blijft wel gehandhaafd op 5%.

De verlaging geldt voor het loon dat een werknemer vanaf 1 augustus 2021 geniet. Voor werkgevers die per vier weken de aangifte loonheffingen doen, geldt de verlaging voor loon dat vanaf 16 augustus 2021 (periode 9) wordt genoten. Als je als werkgever de Awf-premie van laag naar hoog moet herzien, moet je het hoge premiepercentage betalen dat gold in het tijdvak waarover je de eerdere aangifte deed.

Flinke besparing op de loonkosten

De verlaging van de Awf-premie bespaart je als werkgever de komende maanden flink wat loonkosten. Stel dat een werknemer een brutoloon van € 5.500 per maand verdient, dan scheelt dat de resterende vijf maanden van het jaar (5 x 2,36% x €5.500) € 649,- Awf-premie. Het maakt geen verschil of de werknemer een tijdelijk of een vast contract heeft. De besparing is in beide gevallen even groot, namelijk 11,8% van het bruto maandloon.

BTW – Inkopen en verkopen via internet (1 juli 2021)

Vanaf 1 juli 2021 gelden er in Europa enkele nieuwe regels met betrekking tot grensoverschrijdende leveringen en diensten aan consumenten (B2C). De Europese Commissie (EC) is van mening dat de btw-regelgeving niet meer aansluit op de huidige manier van winkelen. Door het aanbod van de vele webshops is het eenvoudig om wereldwijd inkopen te doen via internet. Op platforms zoals Amazon en AliExpress kan iedereen zijn/haar producten verkopen aan consumenten over de gehele wereld, dus ook buiten de Europese Unie (EU). De EC anticipeert hierop door aanpassing van de regelgeving binnen de EU, om zo een ‘gelijker speelveld’ te creëren.

Afschaffing van afzonderlijke drempelbedragen lidstaten

Bij vervoer of verzending in verband met leveringen aan particulieren woonachtig in andere EU-lidstaten, de afstandsverkopen, gelden momenteel nog verschillende drempelbedragen per land. Voor dergelijke leveringen moet tot dit drempelbedrag Nederlandse btw in rekening worden gebracht, zodat bij geringe omzet administratieve lasten beperkt blijven en geen btw-aangifte in het buitenland hoeft te worden gedaan.

Om het grote verschil in drempels gelijk te trekken en om meer afdracht van btw te laten plaatsvinden in het land waarin een product geconsumeerd wordt, worden de verschillende drempelbedragen afgeschaft en gaat er één drempel gelden voor alle lidstaten van € 10.000 per jaar. Dit bedrag betreft een totaalbedrag voor alle verkopen aan particulieren in het buitenland en geldt dus in tegenstelling tot vóór 1 juli 2021 niet per land. De mogelijkheid om te kiezen voor het niet-toepassen van het drempelbedrag blijft bestaan.

One-Stop-Shop (één-loket-regeling)

De hiervoor genoemde wijziging heeft tot gevolg dat meer ondernemers over een groter bedrag buitenlandse btw moeten berekenen en dit in het betreffende land ook moeten afdragen op aangifte. Dit leidt tot hogere administratieve lasten, zoals bijvoorbeeld het onderscheid maken in verschillende btw-tarieven en de registratie en btw-aangifte in andere EU-lidstaten.

De EC komt de ondernemers tegemoet door middel van de One-Stop-Shop (OSS), een digitaal loket waarin een vorm van btw-aangifte kan worden ingediend voor meerdere EU-lidstaten tegelijk. Ondernemers kunnen (m.i.v. 1 april 2021) kiezen om hiervan gebruik te maken door zich aan te melden bij de Belastingdienst voor toepassing van de OSS, ook wel bekend als ‘de Unieregeling’.

Maak je geen gebruik van de regeling, dan moet je zelf zorgen voor de afdracht van btw op de juiste plaats. Dit betekent dat er een btw-nummer aangevraagd moet worden in alle landen waarin aan particulieren geleverd wordt. Hiermee moet vervolgens btw-aangifte gedaan worden in de betreffende lidstaat.

De OSS/Unieregeling gold al voor ondernemers die enkele specifieke diensten verrichtten aan particulieren in andere EU-landen. In verband met de wijzigingen per 1 juli 2021 wordt dit nu opengesteld voor alle ondernemers die prestaties verrichten aan particuliere afnemers in de EU.

Platforms

Steeds meer ondernemers verkopen hun producten via internet. Wanneer de producten worden aangeboden op platforms zoals Amazon en, in toenemende mate, Bol.com, bereikt men een nog groter publiek dan bij een eigen webshop. Dit in combinatie met de logistieke diensten (voorraadopslag, vervoer en verzending) leidt ertoe dat het interessant is om via deze digitale marktplaatsen te verkopen.

Door de opslag van voorraad in verschillende landen en de verkoop aan particulieren én ondernemers in de gehele EU, bestaat vaak onduidelijkheid over de plaats waar een levering belast is voor de btw en hoeveel btw in een bepaald land moet worden afgedragen. Ondanks dat de levering van de goederen voor een groot deel verricht worden door de platforms, blijft verantwoordelijkheid voor een juiste btw-afdracht bij de betreffende ondernemer liggen.

Lever je direct vanuit een derde-land (niet-EU) aan een particulier in de EU en zorgt een platform voor het vervoer naar de betreffende afnemer? Dan wijzigt dit als gevolg van de invoering van de “platformfictie”.

Deze wijziging heeft dus geen invloed op ondernemers die hun producten zelf invoeren in de EU en daarna het platform laten zorgen voor opslag en vervoer. Voor hen is de afschaffing van de drempelbedragen wel relevant.

Afschaffing van btw-vrijstelling bij invoer

De laatste wijziging die wordt doorgevoerd is de afschaffing van de btw-vrijstelling bij de invoer van niet-EU-goederen met een maximale waarde per zending van niet meer dan € 22. Dit betekent dat jij als koper btw moet betalen bij de douane wanneer je een product koopt dat wordt ingevoerd vanuit een land buiten de EU zoals China (zogenoemde derde-landen), ongeacht de waarde van het product.

Deze wijziging heeft voornamelijk invloed op aankopen door particulieren (en ondernemers die enkel vrijgestelde prestaties leveren), aangezien de meeste ondernemers de betaalde btw in aftrek kunnen brengen. Let wel, de btw moet worden afgedragen bij de douane bij invoer en wordt pas weer in aftrek gebracht in de eerstvolgende btw-aangifte. Dit liquiditeitsnadeel is te voorkomen door middel van een “artikel 23-vergunning”.

Wil je meer informatie over de wijzigingen in de btw-regelgeving die per 1 juli 2021 ingaan of twijfel je of de wijzigingen effect hebben op jouw onderneming? Wij ondersteunen je hier graag bij! 

Youngtimers: de voor- en nadelen!

Door ondernemers wordt regelmatig gebruik gemaakt van zogenoemde youngtimers die zowel privé als zakelijk worden gebruikt. Youngtimers zijn auto’s van minimaal vijftien jaar oud. Wat zijn de voor- en nadelen?

Bijtelling

Wanneer ondernemers kiezen voor een tweedehands auto wordt bijtelling, net als bij nieuwe auto’s, in eerste instantie berekend over de nieuwwaarde. Voor auto’s van vijftien jaar of ouder geldt echter de youngtimerregeling: voor deze auto’s geldt een bijtelling van 35% over de dagwaarde (en dus niet de nieuwwaarde). Conclusie: niet alleen de aanschaf is voordeliger, dit geldt ook voor de bijtelling. De bijtelling daalt onder normale omstandigheden ook nog eens ieder jaar als gevolg van een dalende dagwaarde.

Omzetbelasting

Met betrekking tot de omzetbelasting wordt de privé-correctie wel gebaseerd op de nieuwwaarde. In de situatie dat de youngtimer een btw-auto betreft, dient voor het privégebruik 2,7% in mindering te worden gebracht op de voorbelasting. Dit percentage wordt berekend over de nieuwwaarde van de auto. Voor de meeste ondernemers met een youngtimer zal echter een lager percentage gelden. Dit komt voor in de situatie dat de auto ooit particulier bezit is geweest en de btw bij aanschaf niet aftrekbaar is. In dat geval geldt een privécorrectie van 1,5%.

Kostenposten

Tegenover de gunstigere bijtelling staan mogelijk extra kostenposten. Vaak verbruiken youngtimers namelijk meer benzine dan jongere auto’s. Ook de uitstoot van oudere auto’s (met name diesel), is hoger. Vanaf 1 januari 2021 geldt voor extra vervuilende dieselmotoren een toeslag van 19% op de motorrijtuigenbelasting.

Andere nadelen van youngtimers zijn de hogere onderhoudskosten. De technische staat van de auto zegt het meest over de kwaliteit van de auto, meer nog dan de kilometerstand of zelfs de leeftijd. Voor de Belastingdienst dient de dagwaarde namelijk aannemelijk te kunnen worden gemaakt. Een online kentekencheck geeft hierbij slechts een grove indicatie. De aankoopfactuur zal het eerste jaar als bewijs kunnen dienen; later kan dit middels een taxatierapport.

Ben je van plan een youngtimer aan te schaffen? Zorg dat je vooraf een goede afweging maakt en laat je tijdig door ons informeren over de fiscale gevolgen!