Uitbreiding steun na nieuwe coronamaatregelen

Er komt financiële steun voor bedrijven die worden geraakt door de nieuwe coronamaatregelen die sinds zaterdag 13 november jl. gelden. Het kabinet vervangt de eerder aangekondigde regeling Vaste Lasten Nachtsluiting horeca (VLN) door de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL).

Het doel is getroffen ondernemers  te ondersteunen met het betalen van hun vaste bedrijfskosten in het vierde kwartaal van 2021. Er komt ook aanvullende steun voor evenementen die door het aangekondigde verbod niet kunnen doorgaan. Daarnaast komt er steun voor de landbouwsector, de culturele sector en de sportsector.

Met deze extra steun vanuit het kabinet is een bedrag van circa 1,3 miljard euro gemoeid. De Nederlandse economie is veerkrachtig. Tegelijkertijd realiseert het kabinet zich dat de komende periode voor bepaalde bedrijven en werkenden toch moeilijk kan blijven. Daarom voert het kabinet een aantal aanpassingen door in het steunpakket in het vierde kwartaal.

TVL-regeling vierde kwartaal 2021

Alle ondernemers die in het vierde kwartaal van 2021 minimaal 30% omzetverlies verwachten ten opzichte van het vierde kwartaal van 2019 of het eerste kwartaal van 2020 en ook aan de overige voorwaarden voldoen, kunnen zo snel mogelijk weer een TVL-subsidie aanvragen als tegemoetkoming voor hun vaste bedrijfslasten.

De subsidie wordt berekend met het omzetverlies, een percentage vaste lasten van de sector en een vast subsidiepercentage van 85%. De regeling is ook toegankelijk voor wie nog niet eerder gebruik heeft gemaakt van de TVL-regeling. De regeling wordt uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). De precieze openstelling wacht op goedkeuring van de Europese Commissie. Het kabinet trekt 1,2 miljard euro extra uit voor deze regeling.

Landbouwregeling voor ongedekte vaste kosten

Voor landbouwbedrijven blijft de regeling Ongedekte Vaste Kosten (OVK) beschikbaar, zodat zij op evenveel steun kunnen rekenen als niet-landbouwbedrijven.

Ondersteuning voor evenementen

Voor evenementen die de overheid verbiedt in verband met corona loopt tot en met 31 december 2021 de Tijdelijke Regeling Subsidie Evenementen COVID-19 (TRSEC). De nieuwe coronamaatregelen zorgen voor grote onzekerheid voor deze sector, die vaak te maken heeft met lange aanloop- en investeringstermijnen. Omdat het evenementverbod vrijwel onmiddellijk is ingegaan, wordt het subsidiepercentage verhoogd naar 100%, zoals ook in de zomerperiode gebeurde. Het kabinet reserveert hier 10 miljoen euro extra voor.

De Aanvullende Tegemoetkoming Evenementen (ATE) – die geldt voor evenementen die buiten de TRSEC vallen – wordt gedurende 2021 uitgebreid zolang er een verbod op evenementen geldt. Ook de ATE kent een 100% vergoeding van de kosten. Hier reserveert het kabinet 5 miljoen euro extra voor. Deze regeling wordt nog uitgewerkt.

Ondersteuning voor de culturele sector

Voor culturele instellingen die te maken hebben met de nieuwe coronamaatregelen breidt het kabinet de suppletieregeling bij het Fonds Podiumkunsten uit van een vergoeding van 25% naar maximaal 55% van de kaarten van de totale reguliere capaciteit per voorstelling. De regeling is ook open voor voorstellingen met een zitplaats. Hiervoor stelt het kabinet aanvullend 16,5 miljoen euro beschikbaar.

Meer informatie wordt verstrekt door het Fonds Podiumkunsten. Afhankelijk van hun omzetderving zullen sommige culturele ondernemingen ook aanspraak kunnen maken op de hierboven genoemde TVL-regeling voor het vierde kwartaal van 2021.

Ondersteuning voor de sportsector

Voor de aanbieders van amateursport is maximaal 5 miljoen euro beschikbaar om hen te compenseren voor geleden schade in deze periode. De staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport werkt deze regelingen in samenwerking met de sportsector uit.

De Wet Homologatie Onderhands Akkoord (WHOA), het beste alternatief voor een faillissement

Op 1 januari 2021 is de Wet Homologatie Onderhands Akkoord (WHOA) in werking getreden. Wat is het en wat houdt dit in voor de ondernemer?

Wat is de WHOA?

De WHOA is een wijziging van de Faillissementswet en is bedoeld voor alle ondernemers. Met de WHOA krijgt de ondernemer/bestuurder de ruimte en de bescherming om zélf tot een akkoord met crediteuren te komen – óók als niet alle schuldeisers of aandeelhouders instemmen.

Voor de inwerkingtreding van de WHOA was een dergelijk crediteurenakkoord eveneens mogelijk, echter was toen de instemming van alle (individuele) crediteuren noodzakelijk. Vaak betekende dit crisisscenario automatisch een zwart scenario voor ondernemers. De ondernemers verliezen de controle over hun bedrijf aan een curator zodra de rekeningen niet langer betaald kunnen worden. Die curator neemt de zeggenschap over het bedrijf over ter bescherming van de crediteuren, met de Belastingdienst, het UWV, de bank en de curator zelf, voorop. Als gevolg daarvan verdampt vaak de waarde die nog in de onderneming zit.

WHOA voorkomt waardeverlies

Het doel van de WHOA is om te voorkomen dat er waarde, die in de onderneming zit, bij een faillissement onnodig verloren gaat. Een WHOA-traject met een onderhands akkoord biedt voordelen aan schuldeisers, werknemers en andere betrokkenen, inclusief de aandeelhouders.

Het WHOA-traject kan twee uitkomsten hebben:

  • Een verantwoorde doorstart
  • Een gecontroleerde bedrijfsbeëindiging.

In beide gevallen wordt de waarde voor alle belanghebbenden maximaal behouden – en dat is het allergrootste – en mooiste voordeel van deze nieuwe wet.

Dit zijn de kenmerken van een succesvol WHOA-traject:

  1. De ondernemer houdt zelf de regie, waar nodig ondersteund door deskundigen.
  2. Het bedrijf krijgt de ruimte om door te blijven gaan.
  3. Een gestructureerde aanpak, met aandacht voor financiële en juridische details.
  4. Heldere en toegankelijke communicatie met alle belanghebbenden.
  5. Eerlijkheid en redelijkheid als uitgangspunt.

Invoering 2 maanden betaald ouderschapsverlof

Op dit moment krijgen werknemers in Nederland hun ouderschapsverlofuren niet uitbetaald. Dit verandert door een nieuwe Europese richtlijn die voorziet in 2 maanden betaald ouderschapsverlof.

Het wetsvoorstel dat uitkering bij ouderschapsverlof in Nederland regelt is op 12 oktober 2021 door de Eerste Kamer aangenomen en gaat op 2 augustus 2022 in.

Werkgevers kunnen vanaf 2 augustus 2022 de aanvragen indienen bij UWV voor de uitkering voor de werknemers die gedeeltelijk betaald ouderschapsverlof opnemen.

9 weken betaald ouderschapsverlof in 1e levensjaar kind

Ouders krijgen straks gedurende 9 weken ouderschapsverlof een UWV-uitkering ter hoogte van 50% van hun dagloon (tot 50% van het maximum dagloon). Voorwaarde is dat zij deze 9 weken opnemen in het eerste levensjaar van het kind.

Daarmee krijgen ouders meer tijd om te wennen aan de nieuwe gezinssituatie. En om samen bewust keuzes te maken over de verdeling van werken en zorgen.

Betaald ouderschapsverlof bij kinderen die al geboren zijn vóór de invoering van de wet

Het ouderschapsverlof geldt ook voor sommige ouders die vóór de invoering van de wet een kind krijgen. Het kind moet op het moment dat de wet ingaat jonger dan 1 jaar zijn. Ook moeten ouders op dat moment werken (werknemer zijn). En nog niet het volledige recht (26 maal de arbeidsuur per week) op ouderschapsverlof hebben opgenomen.

Voorbeeld

Een werknemer is op de datum van de invoering van de wet ouder van een kind (6 maanden). Hij of zij heeft al 19 weken (wettelijk onbetaald) ouderschapsverlof opgenomen. Deze werknemer heeft nog 6 maanden om 7 weken ouderschapsverlof op te nemen. Dan is het kind 1 jaar. Tijdens die 7 weken heeft hij of zij recht op een uitkering.

Betaald ouderschapsverlof bij adoptie- of pleegouderschap

In het geval van adoptie- of pleegouderschap is betaald ouderschapsverlof ook mogelijk voor kinderen onder de 8 jaar. Dit geldt alleen voor het eerste jaar na de dag van de feitelijke adoptie of plaatsing.

Subsidieregeling Verduurzaming MKB (SVM)

Wij attenderen je op een nieuwe subsidieregeling voor het MKB, de Subsidieregeling Verduurzaming MKB (SVM).

Deze subsidie is bedoeld om MKB-bedrijven te ondersteunen bij het verduurzamen van de onderneming. De subsidie bedraagt 80% van de gemaakte kosten (excl. BTW) met een maximum subsidiebedrag van €2.500,– per bedrijfspand. Je kunt subsidie krijgen voor de volgende verduurzamende handelingen:

  1. Het laten opstellen van een professioneel advies door een externe energieadviseur. De energieadviseur zoekt uit hoe het bedrijf het beste energie kan besparen en de CO2-uitstoot kan beperken.
  2. Voor ondersteuning bij het uitvoeren van de verduurzamende maatregelen door een energieregisseur. Hierbij moet wel gewerkt worden met energieregisseur (bijvoorbeeld een accountant of projectleider) die het inkooptraject en de financiering regelt.

Het aanvragen van de subsidie kan vanaf 1 oktober 2021 tot en met 30 september 2022 bij het RVO.  Kosten die zijn gemaakt vanaf 2 augustus 2021 voor bovenstaande verduurzamende handelingen komen in aanmerking voor subsidie.

Zijn er nog vragen of opmerkingen, je relatiebeheerder denkt graag mee!

Huis kopen – kijk voor financiering verder dan de traditionele hypotheekverstrekkers

In de huidige woningmarkt valt het niet mee een woning te vinden en komt dan eindelijk een geschikte woning op je pad, is financieren het volgende probleem.

Een trend is dat veel nieuwe huizenkopers kiezen voor een aflossingsvrije hypotheek. Het voordeel van een aflossingsvrije hypotheek is dat maandlasten lager zijn. Hier staat tegenover dat geen gebruik gemaakt kan worden van de hypotheekrenteaftrek.

Familie bank

Een eigenwoningschuld hoeft niet perse van de bank te komen. Zo is het ook mogelijk om geld voor een eigen woning van een familielid of vriend te lenen.

Let wel op dat de lening aan de voorwaarden van de hypotheekrenteaftrek voldoet (zie verderop in dit artikel). Het rente percentage op een familie-lening moet een reële (marktconforme) rente bevatten en in een schriftelijke overeenkomst vastgelegd worden. Wij overleggen graag over de mogelijkheden.

Het voordeel voor de geldverstrekker bij een familielening is dat je wel rente ontvangt in tegenstelling tot het geld aanhouden op een spaarrekening. De geldlener geniet ook nog eens hypotheekrenteaftrek in de inkomstenbelasting over de betaalde rente. Daarnaast heeft de geldverstrekker de mogelijkheid om de rente (gedeeltelijk) te schenken aan de geldlener waardoor een overdracht van vermogen plaats vindt.

Hypotheekrente aftrek

Op Prinsjesdag zijn er geen ingrijpende veranderingen voorgesteld voor de hypotheekrenteaftrek. Wel zijn enkele voostellen gedaan om de eigenwoningreserve eerlijker te verdelen onder partners bij overlijden of scheiden.

De eigenwoningreserve is de overwaarde die ontstaat als de oude eigen woning wordt verkocht (verkoopprijs minus de eigenwoningschuld en de verkoopkosten van de woning). Dit bedrag beïnvloed de hoogte van de hypotheek waarvan je de rente mag aftrekken in box 1. Deze veranderingen moeten de eigenwoningreserve eerlijker maken na overlijden of scheiden.

De voorwaarde voor hypotheekrenteaftrek (art. 3.119a Wet IB 2001) zijn in het kort:

  1. De lening is aangegaan voor het kopen van een woning;
  2. De lening moet in maximaal 360 maanden annuïtair afgelost worden;
  3. Rekening houdend met de eigenwoningreserve.

Wellicht dat een nieuw kabinet de hypotheekrenteaftrek verder gaat beperken of zelfs helemaal afschaffen. Uiteraard zullen wij alle berichtgeving omtrent de hypotheekrenteaftrek in de gaten houden.

Wijziging verplichting tot doen van aanbod aan oproepkrachten voor vaste arbeidsomvang

Sinds de inwerking van de Wet arbeidsmarkt in balans op 1 januari 2020 zijn werkgevers verplicht om aan werknemers die werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst die een oproepovereenkomst is, steeds als de arbeidsovereenkomst twaalf maanden heeft geduurd een aanbod te doen voor een vaste arbeidsomvang die tenminste gelijk is aan de gemiddelde omvang van de arbeid die in de voorafgaande periode van twaalf maanden.

Op grond van het toepasselijke overgangsrecht moeten werkgevers dit aanbod in de maand januari 2020 doen voor werknemers die op 1 januari 2020 al tenminste twaalf maanden in dienst zijn.

Indien de werkgever dat aanbod ten onrechte niet (tijdig) doet, heeft de werknemer recht op loon dat overeenkomt met de vaste arbeidsomvang die de werkgever had moeten aanbieden. Om dat loon te kunnen vorderen hoeft de werknemer niet aan te tonen dat hij beschikbaar was om (meer) arbeid te aanvaarden. Deze loonvordering van de werknemer verjaart pas na vijf jaar.

Van een oproepovereenkomst is sprake als:

  • de omvang van de arbeid per maand niet eenduidig is vastgelegd;
  • de werknemer geen recht heeft op loon als hij niet werkt.

Per 1 juli 2021 is als gevolg van de Verzamelwet SZW 2021 een wijziging aangebracht in de wettelijke regeling ter zake van het doen van een aanbod voor een vaste arbeidsomvang. De wijziging betreft de ingangsdatum van de vaste arbeidsomvang.

In de wet was niet geregeld wanneer de aangeboden vaste arbeidsomvang zou dienen in te gaan. Het aanbod moet zijn gedaan binnen een maand nadat de periode van twaalf maanden is verstreken (maand 13). De werknemer moet daarbij in staat gesteld worden om het aanbod gedurende een termijn van tenminste een maand te aanvaarden.

In aanvulling daarop is nu geregeld dat de vaste arbeidsomvang uiterlijk moet ingaan op de eerste dag nadat twee maanden zijn verstreken na het einde van de periode van twaalf maanden (begin van maand 15).

In verband daarmee is de termijn voor aanvaarding door de werknemer nu ook niet meer “tenminste een maand” (dus naar keuze van de werkgever) maar wettelijk vastgesteld op “een maand” (dus zonder keuzemogelijkheid voor de werkgever).

Voor de wetswijziging is geen overgangsrecht vastgesteld. Dat betekent dat de regeling vanaf 1 juli 2021 geldt voor elk nog niet aanvaard aanbod voor een vaste arbeidsomvang, ook als dat aanbod vóór 1 juli 2021 zou zijn gedaan. Mocht je hier vragen over hebben of meer informatie over willen, neem dan contact op met jouw loonadviseur.

 

 

 

Aanhorigheden van een (eigen) woning

Wat hoort er allemaal bij een woning? Is dat alles wat binnen het kadastrale perceel is gelegen of kan een complete woning ook verdeeld zijn over meerdere percelen? Moet alles bouwkundig aan elkaar verbonden zijn, of kunnen losse stukken grond c.q. gebouwen ook tot de woning gerekend worden?

Voor de inkomstenbelasting (en premies volksverzekeringen) is het van belang om te weten wat tot een bepaalde woning gerekend wordt. Of een zogenoemde ‘aanhorigheid’ in de waarde van een woning betrokken wordt, bepaalt bijvoorbeeld:

  • hoeveel inkomstenbelasting verschuldigd is in Box 1 over de waarde van de eigen woning (het privé-hoofdverblijf);
  • welk deel van de schuld(en) betrekking heeft op deze eigen woning en derhalve hoeveel rente in aftrek gebracht kan worden;
  • en in hoeverre vermogensbelasting verschuldigd is in Box 3 over de waarde van een perceel grond, een garagebox of een andere onroerende zaak.

De wet bepaalt dat als eigen woning mede wordt beschouwd, de ‘daartoe behorende aanhorigheden’. Uit gerechtelijke uitspraken in het verleden blijkt dat sprake is van een aanhorigheid als een onroerende zaak behoort bij de eigen woning, daarbij in gebruik is en daaraan dienstbaar is. De rechtspraak bepaalt daarmee dat aan deze drie eisen moet worden voldaan.

Zoals gebruikelijk blijft de kwalificatie zo gebaseerd op redelijk ruime begrippen. Mede ingegeven door twee recente uitspraken van respectievelijk Rechtbank Noord-Holland (2-2-2021) en Hof Den Bosch (31-12-2020) heeft de Belastingdienst een korte handreiking gemaakt met betrekking tot de kwalificatie van een aanhorigheid van een (eigen) woning. Hierin wordt ook aangesloten bij de drie voornoemde vereisten:

Ad 1. Behoren bij de woning

Voor het begrip ‘behoren bij’ zijn verschillende omstandigheden van belang:

  • de afstand tussen de woning en de aanhorigheid; naarmate de afstand tot de woning groter is zal van ‘behoren bij’ minder snel sprake zijn,
  • de bouwkundige situatie, zoals gebruik van dezelfde steensoort, dezelfde bouwstijl of gelegen in hetzelfde wooncomplex,
  • de bereikbaarheid van de aanhorigheid vanuit de woning of vanaf de bij de woning behorende grond.

Ad 2. In gebruik zijn bij de woning

Het feitelijk gebruik van de aanhorigheid is niet vereist, het ter beschikking staan (gebruikt kunnen worden) is voldoende. Als je de aanhorigheid geheel gebruikt ten behoeve van de onderneming, dan is deze uiteraard niet in gebruik bij de eigen woning.

Ad 3. Dienstbaar zijn aan de woning

Het gebouw, de woning, is de hoofdzaak en de bijzaken zijn ter verhoging van het woongenot van de woning. De bijzaken zijn dienstbaar aan de woondoeleinden. Voorbeelden van deze bijzaken zijn tuin, garage, schuur of berging. De bijzaak hoeft niet volledig dienstbaar te zijn aan de woning, maar het zwaartepunt moet daar wel op liggen.

Uit de jurisprudentie volgt onder andere het volgende met betrekking tot de meest voorkomende aanhorigheden:

Percelen grond bij een woning

In deze situatie is er onderscheid tussen drie categorieën percelen: aangrenzende percelen, cultuurgronden en percelen grasland voor het hobbymatig houden van vee.

  • Van een aangrenzend perceel is sprake wanneer het perceel grond direct naast het perceel ligt waarop de eigen woning is gelegen zonder dat een afscheiding (bijvoorbeeld hek of sloot) tussen de percelen aanwezig is.

Wordt een perceel afgescheiden doordat er een (openbare) weg loopt, dan kan wel degelijk sprake zijn van een aanhorigheid van de eigen woning.

  • Cultuurgronden kunnen niet als aanhorigheid van een boerderijgebouw worden aangemerkt. Dit komt doordat cultuurgrond niet dienstbaar is aan de woonfunctie van de boerderij. Vanwege de mate van verbondenheid tussen de boerderijwoning en de boerderij geldt er vaak specifieke regelgeving voor deze situatie.
  • Bij het gebruik van percelen grasland voor het hobbymatig houden van vee bij een woonboerderij kan niet worden gezegd dat het grasland in gebruik is bij en dienstbaar is aan de functie van een woonboerderij als woning.

Garagebox(en)

In het algemeen voldoet een garagebox aan de eisen om als aanhorigheid te worden aangemerkt. Een fysieke vereniging met het gebouw of het hoofdgebouw is niet noodzakelijk om aan het begrip aanhorigheid te voldoen. Wel kan een te grote afstand ertoe leiden dat de garagebox niet meer als aanhorigheid kan worden aangemerkt.

Andere bijgebouwen

Om te beoordelen of een bijgebouw als een aanhorigheid kan worden beschouwd, moet altijd naar de feitelijke omstandigheden worden gekeken. Zo zal bijvoorbeeld een stal, wanneer die wordt getoetst aan de eisen van een aanhorigheid, in het algemeen niet dienstbaar zijn en in gebruik zijn bij de woning. Tussen het houden van vee en het gebruik van de woning bestaat geen functioneel verband. Daarom wordt een stal dan ook zelden als aanhorigheid aangemerkt door een rechter.

Wij proberen altijd zo goed mogelijk te beoordelen wat tot de woning behoort en wat niet. Vaak wordt hierbij dan ook aansluiting gezocht bij de WOZ-waarde. Twijfel je over de eventuele toerekening van een bepaald perceel of bijgebouw? Vraag dan een taxatieverslag op van de WOZ en/of neem contact op met je contactpersoon voor meer informatie.

Kabinet stopt met steunpakketten

Het kabinet stopt per 1 oktober met de meeste steunmaatregelen. Dit betekent dat onder andere de regelingen NOW, TVL, Tozo, TONK vanaf die datum niet worden verlengd.

En aantal specifieke ondersteunende maatregelen blijven wel van kracht in het vierde kwartaal, net als de aanvullende maatregelen gericht op omscholing en aanpassingsvermogen van de economie. Het kabinet is daarnaast bezig met een gerichte compensatieregeling voor de nachthoreca, die naar verwachting ook na 1 oktober nog gesloten blijft.

De corona-financieringsregelingen KKC, Qredits overbruggingskrediet, BMKB-C  en GO-C lopen door tot eind 2021. Ook het Garantiefonds Evenementen loopt door in het vierde kwartaal.

Belastingmaatregelingen

De mogelijkheid om uitstel van belastingbetaling wegens de coronacrisis aan te vragen stopt op 1 oktober. Vanaf 1 oktober 2021 zal daarom weer gewoon belasting moeten worden betaald. De belastingschulden welke zijn opgebouwd tot aan 1 oktober 2021 dienen te worden terugbetaald vanaf 1 oktober 2022. Hier krijgen ondernemers vervolgens vijf jaar de tijd voor. Dit geldt voor alle schulden waarvoor wegens de coronacrisis uitstel van betaling is verleend. Dit kunnen ook schulden zijn waar geen verlenging voor is aangevraagd.

Het kabinet verlengd de verlaagde invorderingsrente van 0,01% tot en met 31 december 2021. Het normale rentetarief is 4%. Vanaf 1 januari 2022 gaat de invorderingsrente stapsgewijs omhoog:

1% vanaf 1 januari 2022;
2% vanaf 1 juli 2022;
3% vanaf 1 januari 2023;
4% vanaf 1 januari 2024.

Een aantal andere belastingmaatregelen die wegens de coronacrisis genomen zijn, lopen door tot 1 januari 2022, zoals de onbelaste reiskostenvergoeding en de betaalpauze voor hypotheken. Daarnaast voert Nederland overleg met Duitsland en België, om de afspraken over de belastingheffing van grenswerkers ook tot 1 januari 2022 voort te zetten.

Beëindiging Tozo

Ondernemers die financiële ondersteuning nodig hebben, kunnen vanaf 1 oktober weer een beroep doen op de reguliere bijstand voor zelfstandigen (het Bbz). Om dit voor gemeenten uitvoerbaar te houden, heeft het kabinet besloten de uitvoering van de regeling tot eind dit jaar te vereenvoudigen. Dit betekent dat gemeenten geen vermogenstoets hoeven uit te voeren, dat ondernemers met terugwerkende kracht van maximaal twee maanden een Bbz-uitkering kunnen aanvragen en dat de gemeente het inkomen en de hoogte van de Bbz-uitkering per kalendermaand ,in plaats van per boekjaar, vaststelt. Vanaf 1 januari 2022 voeren gemeenten het Bbz weer zonder wijzigingen uit.

Terugkeer Werktijdverkorting

De Werktijdverkorting (WTV) is vanwege de invoering van de NOW buiten werking gesteld. Na het stoppen van de NOW keert per 1 oktober de Werktijdverkorting (WTV) weer terug. Deze biedt ondersteuning aan werkgevers die worden getroffen door een buitengewone omstandigheid die niet tot het ondernemersrisico behoort. De geherintroduceerde WTV is nadrukkelijk niet bedoeld voor corona-gerelateerde omstandigheden.

Ten onrechte verzonden naheffingsaanslag omzetbelasting 2e kwartaal of juni 2021

Naheffingsaanslagen over hierboven genoemde perioden worden ten onrechte opgelegd door een technische storing bij de Belastingdienst. Deze aanslag dient niet betaald te worden. Wanneer de aangifte (handmatig) is verwerkt door de Belastingdienst zal de naheffingsaanslag ingetrokken worden. Zie voor meer informatie onderstaande link:

Nieuwe btw-regels voor e-commerce

Verkoop jij via het internet producten of verricht je elektronische diensten aan particulieren in een ander EU-land? Dan moet je weten dat per 1 juli 2021 de btw-regels wijzigen voor alle soorten handel via het internet (e-commerce). Afstandsverkopen worden per 1 juli 2021 belast in het land van bestemming. Daarbij komen de bestaande drempelbedragen voor afstandsverkopen (in de meeste EU-landen € 35.000) te vervallen. Je moet daardoor vaker registreren in een ander EU-land en daar btw-aangiften moeten doen. Om de administratieve lasten hiervan te beperken, kan je je  aanmelden voor de One Stop Shop-regeling (OSS-regeling). Deze regeling vervangt op 1 juli 2021 de huidige Mini One Stop Shop-regeling (MOSS-regeling) die alleen voor digitale diensten wordt gebruikt. Via de OSS-regeling voldoe je de buitenlandse btw over alle afstandsverkopen en elektronische diensten in andere EU-landen aan de Nederlandse Belastingdienst. Registratie en btw-aangiften doen in andere EU-landen is dan niet nodig.

Uitzondering

Er geldt een uitzondering als je alleen in Nederland (of in één ander EU-land) gevestigd bent en een totale grensoverschrijdende jaaromzet (leveringen én diensten) hebt van minder dan € 10.000. Je blijft dan voor de afstandsverkopen btw-plichtig in Nederland (de eigen lidstaat). De € 10.000-drempel geldt op jaarbasis. Dit geldt ook voor de periode van 1 juli t/m 31 december 2021; in 2021 is de drempel dus niet de helft (€ 5.000).

Andere wijzigingen

Enkele andere belangrijke wijzigingen:

  • De invoering van btw-plicht voor elektronische handelsplatforms. Via deze platforms vinden de meeste afstandsverkopen van goederen aan consumenten plaats;
  • De introductie van de invoerregeling voor goederen van buiten de EU met een intrinsieke waarde tot € 150. Dit is een nieuw systeem waarbij de leveranciers van deze goederen de btw op de verkopen via één loket (de Invoerregeling One Stop Shop-regeling: iOSS-regeling) kunnen voldoen. Hierdoor wordt bij de feitelijke invoer van de goederen geen btw geheven, maar wel over de levering aan de consument;
  • De afschaffing van de btw-vrijstelling bij de invoer van goederen van buiten de EU met een intrinsieke waarde van minder dan € 22 die worden geleverd aan consumenten binnen de EU.

Wat betekent de One Stop Shop-regeling voor ondernemingen binnen een fiscale eenheid?

Een Nederlandse fiscale eenheid omzetbelasting (fe) kan niet deelnemen aan de Unieregeling van het éénloketsysteem (OSS). Dat meldt de Belastingdienst. In het huidige éénloketsysteem (MOSS) wordt de fe wel geaccepteerd. Ondernemingen die deel uitmaken van een fe kunnen wel meedoen in het nieuwe systeem.

Fe is een Nederlands begrip en heeft geen werking over de landsgrenzen heen. Daarom wordt de fiscale eenheid als zodanig ook niet erkend in andere lidstaten. Omdat via het éénloketsysteem aan de btw-verplichtingen in een andere lidstaat wordt voldaan, moet dat gebeuren op het niveau van de leverende partij (de werkmaatschappij).

Inschrijving en deelname aan OSS vindt plaats op het niveau van de werkmaatschappij. Heeft een ondernemer een fe dan vindt registratie in OSS plaats met het btw-identificatienummer van de werkmaatschappij die de leveringen verricht. Op de vraag of de ondernemer onderdeel is van een fe moet de aanvrager het antwoord ‘nee’ invullen. Zijn er meerdere onderdelen binnen de fe die leveren, dan moet hij deze afzonderlijk registreren.

De Belastingdienst past het huidige registratieformulier aan. In Mijn Belastingdienst Zakelijk staat al vermeld dat een ondernemer een fe niet kan registreren voor het OSS. Is iemand al geregistreerd als fe in het huidige MOSS-systeem, dan zet de Belastingdienst deze automatisch over in OSS.

Raadpleeg jouw contactpersoon indien je vragen hebt over de OSS-regeling. Of kijk voor meer info op de website van de Belastingdienst: www.belastingdienst.nl/e-commerce.