Belangrijke wijzigingen in de bedrijfsopvolgingsregeling en schenk- en erfbelasting vanaf 2025

In de successiewet zijn regelingen opgenomen die bedrijfsoverdrachten tijdens leven of bij overlijden deels vrijstellen van schenk- of erfbelasting. Deze bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) biedt ondernemers de mogelijkheid om hun bedrijf over te dragen zonder dat hun opvolgers direct geconfronteerd worden met hoge belastingen. Per 1 januari 2025 worden echter enkele belangrijke wijzigingen doorgevoerd die van invloed kunnen zijn op de toepassing van deze regeling.

Versobering van de Bedrijfsopvolgingsregeling

Een van de bestaande beperkingen van de BOR was dat deze niet van toepassing was als er binnen de onderneming structureel overtollige liquide middelen of beleggingen aanwezig waren die niet tot het ondernemingsvermogen behoorden. Dit betekent dat de overdracht van dergelijke zaken niet viel onder de vrijstelling van schenk- of erfbelasting. Vanaf 1 januari 2025 wordt deze beperking nog verder uitgebreid.

Beperking van Bedrijfsmiddelen tot het Keuzevermogen

Momenteel kunnen bedrijfsmiddelen die deels voor privé- en deels voor bedrijfsdoeleinden worden gebruikt (keuzevermogen), worden aangemerkt als ondernemingsvermogen en dus onder de BOR vallen. Vanaf 2025 kan een bedrijfsmiddel echter alleen nog onder de BOR vallen als het ook daadwerkelijk voor bedrijfsdoeleinden wordt gebruikt. Dit heeft tot doel te voorkomen dat bijvoorbeeld een auto of onroerend goed met hoge waarde als ondernemingsvermogen wordt aangemerkt.

Het is in de praktijk vaak lastig om vast te stellen of een bedrijfsmiddel zakelijk dan wel voor andere doeleinden wordt gebruikt. Daarom geldt deze maatregel alleen voor bedrijfsmiddelen met een waarde van meer dan € 100.000 en die voor meer dan 10% privé worden gebruikt. De toetsing van dit percentage gebeurt op basis van de aard van de onderneming, het langdurige gebruik en de bestemming van het bedrijfsmiddel.

Beperking van Onroerende Zaken die Extern Worden Verhuurd

Onroerende zaken die langdurig aan derden worden verhuurd, worden vanaf 2025 tot het beleggingsvermogen gerekend en vallen dus niet meer onder de BOR. Voor deze classificatie worden twee tests toegepast: de feitelijkgebruiktoets en de oogmerktoets. De feitelijkgebruiktoets kijkt naar wie het onroerend goed feitelijk gebruikt op het moment van de bedrijfsovername, terwijl de oogmerktoets bekijkt waarvoor de zaken bestemd zijn.

Een onroerende zaak die in afwachting van projectontwikkeling of verkoop ter beschikking is gesteld aan een andere partij, wordt op basis van de feitelijkgebruiktoets als beleggingsvermogen beschouwd. Evenzo wordt een onroerend goed dat leegstaat en niet voor actieve ondernemingsactiviteiten wordt gebruikt, op basis van de oogmerktoets als beleggingsvermogen geclassificeerd.

Mogelijke Verdere Versobering vanaf 2026

Per 1 januari 2026 overweegt het kabinet om speciale aandelen (tracking stocks) uit te sluiten van de toepassing van de BOR. Deze speciale aandelen worden vaak gebruikt om verschillen in eigendom van bijvoorbeeld onroerend goed tussen aandeelhouders te regelen. Als er in het verleden al is gekozen voor speciale aandelen, kan een mogelijke oplossing zijn dat een BV die dergelijke aandelen bezit, uiterlijk 1 januari 2027 moet worden gesplitst, zodat alleen gewone aandelen overblijven.

Overdracht van Ondernemingen met de Bedrijfsopvolgingsregeling

Wilt u uw onderneming overdragen en daarbij gebruikmaken van de BOR? Het is essentieel om vooraf zorgvuldig te beoordelen welke bedrijfsmiddelen die tot het keuzevermogen behoren of onroerende zaken die aan derden worden verhuurd, als ondernemingsvermogen kunnen worden aangemerkt. Het verschilt per situatie of er sprake is van ondernemingsvermogen. Door tijdig maatregelen te nemen, kunt u mogelijk schenk- en erfbelasting voorkomen.

Conclusie

De voorgestelde wijzigingen in de bedrijfsopvolgingsregeling vanaf 2025 en de mogelijke verdere versobering vanaf 2026 hebben aanzienlijke gevolgen voor ondernemers die een bedrijfsoverdracht overwegen. Het is raadzaam om tijdig fiscaal advies in te winnen om de impact van deze wijzigingen op uw specifieke situatie te begrijpen en passende maatregelen te nemen.

Wilt u meer weten over schenk- en erfbelasting en hoe de bedrijfsopvolgingsregeling u kan beïnvloeden? Neem contact met ons op voor deskundig advies en begeleiding.

Minimum loon per juli 2024

Het minimumloon wordt ieder jaar in januari en juli geïndexeerd. In juli 2024 wordt het minimumloon geïndexeerd met 3,08%.

Per juli 2024 bedraagt het minimum uurloon:

Leeftijd Per uur
21 jaar en ouder € 13,68
20 jaar € 10,94
19 jaar € 8,21
18 jaar € 6,84
17 jaar € 5,40
16 jaar € 4,72
15 jaar € 4,10

Toeslagen-app

Sinds maart van dit jaar is door de Belastingdienst de Toeslagen-app beschikbaar gesteld. Heb je recht op toeslagen? Dan is deze nieuwe app wellicht handig voor jou. In de Toeslagen-app kun je de gegevens die bekend zijn bij de Belastingdienst voor je toeslagen eenvoudig controleren. Als er wijzigingen in je situatie zijn (zoals bijvoorbeeld je jaarinkomen), dan kun je in de Toeslagen-app eenvoudig je gegevens wijzigen. Zo voorkom je dat je te weinig of te veel toeslagen ontvangt.

Met de nieuwe Toeslagen-app kun je de gegevens controleren en wijzigen voor de volgende toeslagen:

– Kinderopvangtoeslag
– Kindgebonden budget
– Huurtoeslag
– Zorgtoeslag

Daarnaast kun je ook meldingen van de Toeslagen-app aanzetten. Zo ben je meteen op de hoogte van eventuele wijzigingen die de Belastingdienst doorvoert.

Je kunt de Toeslagen-app gratis en veilig downloaden in de App Store (iOS) of op Google Play (Android). De app werkt met DigiD, zodat je gegevens op een veilige manier worden opgehaald en gewijzigd.

Als je nog vragen hebt over de Toeslagen-app, neem dan gerust contact met ons op. Wij kunnen ook de wijzigingen of de aanvraag van de toeslagen voor je verzorgen, mocht je dit zelf niet willen of kunnen.

Wijzigingen in het huurrecht die je niet mag missen

Het is een tijdje betrekkelijk stil geweest op de huurdersmarkt, maar dit jaar is dat anders. Hier vind je kort samengevat de belangrijkste ontwikkelingen.

Oneerlijke indexeringsclausule voor woonruimte

Huurverhogingsbedingen in contracten tussen (professionele) verhuurders en huurders die uitgaan van een inflatiecorrectie (CPI) plus een opslagpercentage zijn op grond van Europees recht oneerlijk. Het opslagpercentage is niet transparant, onduidelijk, en de huurder heeft bij een dergelijke verhoging niet de mogelijkheid om de huurovereenkomst daadwerkelijk te beëindigen. Daarom is in enkele rechtszaken het hele indexeringsbeding nietig verklaard, dus niet alleen het opslagpercentage.

Huurders kunnen de indexering die ten onrechte in rekening is gebracht over een reeks van jaren, verrekenen met hun maandhuur. Grote verhuurders vrezen miljoenenschade als dit oordeel tot in de hoogste instantie standhoudt. Verhuurders doen er verstandig aan geen indexeringsclausule met een opslagpercentage meer te hanteren. Voor huurders is dit de kans om in het verleden doorgevoerde huurverhogingen ongedaan te maken.

Overigens is op grond van een wettelijke regeling de maximale huurstijging in de vrije sector in 2024 maximaal 5,5% (ongeacht contractuele afspraken).

Tijdelijke verhuur woonruimte na 1 juli 2024 niet meer mogelijk

Verhuur voor maximaal 2 of 5 jaar – afhankelijk van de aan te bieden woonruimte – is voor verhuurders aantrekkelijk: geen langdurige bescherming van de huurder en de mogelijkheid om met nieuwe huurders hogere huurprijzen af te spreken. Maar vanaf 1 juli 2024 komt hierin verandering, want dan is alleen nog verhuur voor onbepaalde tijd mogelijk. Een tijdelijke huurovereenkomst voor maximaal 2 jaar is dan alleen nog mogelijk voor (zeer) beperkte specifieke doelgroepen. Die doelgroepen zijn vastgelegd in een Algemene Maatregel van Bestuur.

Wet goed verhuurderschap

Per 1 juli 2023 is de Wet goed verhuurderschap in werking getreden. Een verhuurder/verhuurbemiddelaar van woonruimte is verplicht om nieuwe huurders te wijzen op hun rechten en plichten bij het aangaan van nieuwe huurcontracten. Zo moet er duidelijkheid bestaan over de vaststelling en berekening van de servicekosten. Ook moeten huurders worden geïnformeerd over het bestaan van verschillende soorten huurovereenkomsten en de mogelijkheid om vragen voor te leggen aan de Huurcommissie of de kantonrechter.

Uiterlijk op 1 juli 2024 moet de informatie aan bestaande huurders schriftelijk zijn verstrekt. De verhuurder kan hiervoor in de huurovereenkomst (of informatiebrief) verwijzen naar een op de overheidssite beschikbaar document. Zie hiervoor het onderdeel ‘U geeft uw huurder informatie over de algemene rechten en plichten’.

Bovendien is de verhuurder/verhuurbemiddelaar verplicht om zich in de selectieprocedure te onthouden van elke vorm van discriminatie – het maken van ongerechtvaardigd onderscheid – richting huurders of woningzoekenden.

Wet betaalbare huur

Deze wet introduceert een categorie woonruimte die tussen de huidige gereguleerde (sociale) woonruimte en de geliberaliseerde woonruimte valt: de middeldure woonruimte. Hierdoor moet woonruimte beter betaalbaar worden. Met middeldure woonruimte wordt bedoeld de zelfstandige woonruimte die op grond van de puntentoekenning uit het Woningwaarderingsstelsel (WWS) overeenkomt met een maximaal toegestane huurprijs tussen € 879,66 (de liberalisatiegrens per 1 januari 2024) en € 1.157,95 per maand (de maximale huurprijsgrens voor 186 punten per 1 juli 2024). Dit geldt ook als er een aanvangshuurprijs is overeengekomen die ligt tussen deze bedragen.

Voor deze nieuwe categorie woonruimte gelden in beginsel dezelfde huurprijsregels als voor de huidige gereguleerde woonruimte. De Tweede Kamer heeft de wet eind april 2024 aangenomen. De beoogde inwerkingtreding per 1 juli 2024 wordt waarschijnlijk niet gehaald, omdat het wetsvoorstel mogelijk niet tijdig is aangenomen door de Eerste Kamer.

Heb je vragen over huurrecht? Neem gerust contact met ons op.

Box 3 na de arresten van 6 juni 2024

De Hoge Raad heeft onlangs diverse arresten gewezen met betrekking tot box 3. Hierover zijn bij veel mensen vragen ontstaan. In deze brief geven we op hoofdlijnen aan wat de uitspraak van de Hoge Raad inhoudt voor je.

Systeem box 3 vanaf 2017 in strijd met EVRM

De Hoge Raad heeft op 6 juni 2024 geoordeeld dat het systeem van box 3 sinds 2017 in strijd is met art. 1 EP en art. 14 EVRM. De Hoge Raad biedt rechtsherstel voor gevallen waarbij er nog geen definitieve aanslag is. Kan een belastingplichtige aannemelijk maken dat zijn werkelijke rendement in box 3 lager is dan het forfait? Dan wordt er geheven over het werkelijke rendement; een soort tegenbewijsregeling. De Hoge Raad heeft ook aangegeven hoe dit werkelijke rendement moet worden bepaald. Het werkelijke rendement wordt per jaar berekend over het gehele vermogen (inclusief banktegoeden) zonder aftrek van het heffingsvrije vermogen. Er vindt dus geen verliesverrekening over de jaren plaats.

Werkelijk rendement

Het werkelijke rendement bestaat uit het directe rendement (huur, pacht, rente) en het indirecte rendement (waardeontwikkeling). Hierbij moet je rekening houden met ongerealiseerde waardestijgingen en -dalingen van vermogensobjecten in box 3. Woningen moeten worden gewaardeerd op de WOZ-waarde, bedrijfspanden op de werkelijke waarde. Aangezien er moet worden gekeken naar het totale rendement over het gehele vermogen, bestaat er lang niet altijd recht op rechtsherstel. Een slecht jaar op de beurs kan bijvoorbeeld gecompenseerd zijn in datzelfde jaar door een positieve waardemutatie op vastgoed. Wat is in dat geval de voornaamste groep die geld terug zal krijgen dankzij de uitspraak van de Hoge Raad? Dit zullen vooral personen zijn die bijvoorbeeld alleen spaargeld en beleggingen hebben, en die in een bepaald jaar verlies hebben geleden. Personen met een vastgoedportefeuille zullen door de vaak positieve waardeontwikkeling een werkelijk rendement hebben dat hoger is dan het forfait. Daardoor hebben zij dan geen recht op rechtsherstel.

Actie: Je vindt het forfait in een jaar terug op je aanslag onder het ‘rendement op bezittingen aftrekbare schulden’.

Actie: Neem bij nieuwe definitieve aanslagen met box 3 contact met ons op, zodat we binnen 6 weken na de dagtekening van de aanslag bezwaar kunnen maken. Dit is belangrijk om jouw rechten te kunnen behouden.

Niet-bezwaarmakers

Personen die over oude jaren geen bezwaar hebben gemaakt, zullen de massaalbezwaarplus-procedure moeten afwachten die het RB voert. Daarin zal worden vastgesteld of ook niet-bezwaarmakers recht hebben op rechtsherstel. De bezwaarfase wordt momenteel afgerond, waarna beroep bij de rechtbank zal volgen. Het zal dus nog wel even duren voordat de Hoge Raad daar een definitief oordeel over heeft. Dit wordt op zijn vroegst pas in 2025 verwacht.

Volledige duidelijkheid volgt later – verzamel alvast gegevens

Er zijn na de uitspraak nog diverse punten onduidelijk. Hoe moet je bijvoorbeeld omgaan met niet getaxeerde vermogensbestanddelen, waardoor er in veel gevallen nog geen berekening kan worden gemaakt? De diverse koepelorganisaties hebben dit punt en andere punten al bij het Ministerie van Financiën neergelegd. Het is zeer waarschijnlijk dat er een herstelbesluit en een nieuwe herstelwet zullen volgen, waarin deze zaken worden vastgelegd.

Actie: Op dit moment is het – in verband met de grijze vlakken – nog niet zinvol om een berekening te maken. Je kunt al wel gegevens verzamelen van de afgelopen jaren, zoals: jaaroverzichten bank, beleggingen, crypto’s, huuropbrengsten, WOZ-waardes of taxaties.

Meer weten?

Heb je vragen over de uitspraak van de Hoge Raad? Neem gerust contact met ons op.

Premie verplichte AOV zelfstandigen

Het kabinet wil dat straks alle zelfstandigen verplicht verzekerd zijn tegen arbeidsongeschiktheid. Zelfstandigen moeten straks een arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV) hebben. Door een nieuwe verplichte verzekering lopen zij minder financiële risico’s door ziekte. Zelfstandigen krijgen straks recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering als ze door langdurige ziekte niet meer het minimumloon kunnen verdienen. Met een verzekeringsplicht voor zelfstandigen zijn straks alle werkenden beschermd tegen de gevolgen van arbeidsongeschiktheid. De wijziging gaat naar verwachting in op 1 januari 2027.

Doelgroep van de verplichte AOV

De verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering zal gelden voor ondernemers, zzp’ers, freelancers, beroepsbeoefenaars (inkomsten uit overige werkzaamheden) en meewerkende echtgenoten, zonder én met personeel. Voor directeur-grootaandeelhouders geldt een verplichte AOV niet.

Kosten en premie van de verzekering

Uit het wetsvoorstel dat begin juni 2024 is gedeeld, wordt duidelijk dat de verplichte AOV maximaal 195 euro per maand zal kosten. Heeft de zelfstandige een lagere winst? Dan wordt de te betalen premie per maand minder. Aan de hand van realisatiegegevens wordt de raming elk jaar herijkt en indien nodig ook het benodigde premiepercentage, bestaande uit de lastendekkende premie en de renteopslag van het aankomende jaar.

Uitgangspunten van de Basisverzekering Arbeidsongeschiktheid (BAZ)

De basisverzekering arbeidsongeschiktheid (BAZ) is uitgewerkt aan de hand van drie uitgangspunten: betaalbaar, uitlegbaar en uitvoerbaar. De wet is als volgt vormgegeven:

  • De nieuwe verzekering wordt verplicht voor alle zelfstandigen die voor de inkomstenbelasting ‘winst uit onderneming’ genieten.
  • Zelfstandigen die een jaar ziek zijn geweest, kunnen straks in aanmerking komen voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
  • Zelfstandigen krijgen deze uitkering als zij niet meer in staat zijn om door ziekte het minimumloon te verdienen. Dat is anders dan bij de werknemersverzekering, waarbij er niet alleen wordt gekeken naar wat iemand nog kan, maar ook naar wat iemand eerder verdiende.
  • De uitkering is 70% van de winst vóór arbeidsongeschiktheid, tot maximaal het minimumloon. De uitkering loopt tot de AOW-leeftijd.
  • Zelfstandigen gaan ongeveer 6,5% van hun winst uit onderneming aan premie betalen, tot maximaal ongeveer € 195 per maand, gebaseerd op het minimumloon van 2024. Daarmee is er een duidelijke koppeling tussen de betaalde premie en de hoogte van de uitkering. De premie is fiscaal aftrekbaar.
  • Zelfstandigen die dit vangnet onvoldoende vinden, zich liever privaat verzekeren of al een arbeidsongeschiktheidsverzekering hadden, kunnen zich particulier blijven verzekeren: de zogenaamde opt-out. De private verzekering moet voldoen aan een aantal minimumvoorwaarden. Zo mag de hoogte van de uitkering bij arbeidsongeschiktheid niet lager zijn dan die van de publieke verzekering, moet de premie minimaal gelijk zijn aan die van de publieke verzekering en moet de verzekering lopen tot de AOW-leeftijd. Daarnaast komt er overgangsrecht voor bestaande verzekeringen.

Wij willen je graag goed informeren. Mocht je daarom nog vragen hebben, neem dan gerust contact met ons op.

Live sessie: Auto van de zaak. Schrijf je nu in.

Heb jij voor jouw onderneming een auto nodig en overweeg jij om er een aan te schaffen?

Dan is onze live sessie op 2 juli om 15.00-17.00 uur in Oostrum (Venray) perfect voor je! Tijdens deze sessie duiken we dieper in op alles wat je fiscaal en administratief moet weten over het gebruik en beheer van je (zakelijke) auto.

Is jouw auto klaar voor de (fiscale) keuring?
Heb je alle benodigdheden op orde, zoals bijvoorbeeld de kilometeradministratie, eindheffing en verbod privégebruik? Dan nemen we je tijdens deze sessie graag mee in alle overige aspecten die relevant kunnen zijn voor jouw als ondernemer.

Onderwerpen die aan bod komen:
– Wanneer is er sprake van terbeschikkingstelling van de auto aan werknemers?
– Wanneer dien je een auto bij te tellen en wat zijn hier de voor- en nadelen van?
– Wat zijn de regels voor bedrijfsauto’s?

Onze fiscalisten, Freek Lenssen en Erik Trienekens, beantwoorden al je vragen en geven praktische tips om ervoor te zorgen dat je volledig voorbereid bent en als ondernemer aan alle regels kunt voldoen.

Datum: 2 juli
Tijd: 15.00-17.00 uur
Locatie: De Voorde 12, Venray

We kijken ernaar uit je te verwelkomen! Mocht je na het lezen van deze uitnodiging nog vragen hebben of meer informatie willen, dan kun je contact met ons opnemen.

Inschrijven klik hier. Scroll daarna gelijk door naar beneden voor het inschrijfformulier.

Het kabinet wil contante betalingen boven de €3.000 verbieden

Kabinet blijft bij verbod op contante betalingen boven € 3000,00

Het voorstel om contante betalingen boven 3000 euro niet meer toe te staan, werd al in 2019 gelanceerd. Het toenmalige kabinet wilde met de maatregel witwassen door criminelen aanpakken. Toentertijd heeft de Tweede Kamer de wet controversieel verklaard, wat betekent dat die in principe niet op korte termijn werd behandeld.

Maar op 14 mei 2024 heeft de Tweede Kamer besloten dit terug te draaien. Er komt een los voorstel dat alleen het verbod op contante betalingen moet regelen. Als de maatregel wordt aangenomen, zal deze waarschijnlijk in januari 2026 in werking treden.

Ook het huidige (demissionaire) kabinet beschouwt het plan als een middel in de strijd tegen witwassen. “Criminelen gebruiken hiervoor vaak grote sommen contant geld”, benadrukken Van Weyenberg en Yesilgöz.

Van Weyenberg en Yesilgöz wijzen erop dat een limiet op contante betalingen inmiddels is opgenomen in de voorwaarden die de EU stelt aan financiële steun aan Nederland na de coronacrisis. Als Nederland daar niet aan voldoet, dreigt een bedrag van 600 miljoen euro misgelopen te worden, schrijven de ministers: “De deadline om deze maatregel uit te voeren staat op 31 maart 2025.”

Meldplicht

Op dit moment moeten ondernemers officieel melding maken als klanten vanaf 10.000 euro cash willen betalen. Als het voorstel wordt aangenomen, moet er bij cashbetalingen van meer dan 3000 euro voortaan melding gemaakt worden. Ook het bedrag omzeilen via meerdere losse betalingen is dan verboden. Deze maatregel geldt al in België.

Voor wie?

Het verbod is van toepassing op alle natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen die beroeps- of bedrijfsmatig handelen als koper of verkoper van goederen. Het verbod geldt expliciet niet voor consumenten onderling, maar wel bij transacties tussen ondernemers onderling en tussen ondernemers en consumenten. Als deze wet wordt aangenomen, zult u bij beroeps- of bedrijfsmatig handelen contante betalingen vanaf € 3000,00 moeten weigeren of deze betalingen via de bank laten verlopen.

Wij willen je graag goed informeren. Mocht je daarom nog vragen hebben, neem dan gerust contact met ons op.

De maand mei, doet er nog een schepje bij!

De maanden mei en juni zijn doorgaans de maanden waarin vakantietoeslag wordt uitbetaald. In de meeste gevallen is dit 8% van het bruto jaarloon; echter, er kan ook een ander percentage gelden vanuit de CAO. Een werknemer bouwt gedurende het hele jaar vakantietoeslag op en krijgt dit aan het einde van de opbouwperiode uitbetaald.

Waarom houden we van het vakantiegeld netto minder over dan van het reguliere salaris?

Bijzondere beloningen

Eenmalige ofwel bijzondere beloningen worden in de loonheffingen belast onder de noemer ‘Loonheffing bijzonder tarief’. Hiermee wordt getracht zoveel mogelijk aan te sluiten bij de uiteindelijk te betalen inkomstenbelasting. De loonbelasting is immers een voorheffing op deze te betalen inkomstenbelasting.

Vakantietoeslag is een typisch voorbeeld van een eenmalige beloning en wordt daardoor met een bijzonder tarief belast. Andere voorbeelden zijn overwerkloon, bonussen of een 13e maand.

Percentage bijzonder tarief

Op basis van het fiscale loon van het voorafgaande jaar wordt met behulp van voorgedefinieerde percentages bepaald welk percentage bijzonder tarief voor het gehele jaar van toepassing is. Komt een werknemer bij de werkgever in dienst, dan maakt de salarisadministrateur een schatting van het te verdienen jaarloon.

De percentages bijzonder tarief variëren van 0% tot en met 49,5% en zijn dus afhankelijk van het te verdienen jaarinkomen.

Het kan natuurlijk altijd voorkomen dat een werknemer in het nieuwe jaar meer of minder gaat verdienen. De werknemer kan er dan zelf voor kiezen om een aanpassing te doen in het bijzonder tarief percentage.

Netto betaling

Bij de reguliere salarisbetaling wordt veelal rekening gehouden met loonheffingskorting. Tot een salaris van ongeveer €1000,- wordt nagenoeg geen belasting betaald. Hierdoor houd je van je reguliere salaris netto meer over dan hetgeen wordt overgehouden bij de uitbetaling van de vakantietoeslag. Immers, je hebt het recht op loonheffingskorting al verbruikt en dient over het gehele bedrag aan vakantietoeslag belasting te betalen.

Omdat deze vakantietoeslag altijd bovenop je reguliere salaris wordt betaald, dient tevens ook rekening gehouden te worden met de belastingschijf waarin je uiteindelijk belast wordt.

Na de inhouding van het bijzonder tarief, maakt dat schepje erbij, in mei, werknemers net iets minder blij.

Tip voor de werkgever:

De afdracht loonheffingen over de vakantiegeldmaand, die betaald dient te worden in de opvolgende maand, is dan ook fors hoger!

Risico’s en kansen bij werken met zzp’ers

Als je werkt met zzp’ers, loop je mogelijk het risico dat achteraf blijkt dat er toch sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst. De zzp’er kan dit zelf stellen en nabetaling van loon vorderen, maar ook een cao-partij of een pensioenfonds kan in dat geval deelname aan hun regelingen vorderen. Van de Belastingdienst heb je op dit moment nog weinig te vrezen vanwege het zogenoemde handhavingsmoratorium dat in november 2016 is ingesteld. Maar dit gaat snel veranderen.

Ook de zzp’er loopt een risico. De Belastingdienst kan zijn aangifte inkomstenbelasting corrigeren. De aangegeven winst wordt dan als loon aangemerkt, waardoor bijvoorbeeld de zelfstandigenaftrek en de mkb-winstvrijstelling vervallen.

Handhavingsmoratorium

Dit moratorium houdt in dat de Belastingdienst aanwijzingen geeft als er volgens hen sprake is van een arbeidsovereenkomst, maar alleen naheft in uitzonderlijke gevallen van kwaadwillendheid. De Belastingdienst legt dus niet meteen een correctieverplichting op, maar je moet wel de aanwijzingen opvolgen:

  • Je past de afspraken met de zzp’er zodanig aan dat er geen sprake meer is van een arbeidsovereenkomst, of
  • Je laat de werkzaamheden van de zzp’er als dienstbetrekking verwerken in de loonaangifte

Hiervoor krijg je meestal 3 maanden de tijd. Volg je de aanwijzingen niet of niet voldoende op? Dan volgt een correctieverplichting en boete vanaf het moment van het geven van de aanwijzing.

Opheffing handhavingsmoratorium

Er is op dit moment nieuwe wetgeving in voorbereiding bestaande uit de Wet verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden. Het is de bedoeling dat deze wet in 2026 in werking treedt. Maar het handhavingsmoratorium eindigt al per 1 januari 2025. Nu al controleert de Belastingdienst weer, maar vanaf 2025 gaat de Belastingdienst mogelijk ook naheffen en boetes opleggen in situaties waarin er sprake is van een arbeidsovereenkomst. De Belastingdienst hanteert daarbij het beoordelingskader dat door de Hoge Raad is aangelegd in de zaak van Deliveroo.

Beoordeling arbeidsverhouding

Of een overeenkomst moet worden aangemerkt als arbeidsovereenkomst, hangt volgens de Hoge Raad af van alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien. Van belang kunnen onder andere zijn:

  • de aard en duur van de werkzaamheden,
  • de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald,
  • de inbedding van het werk en de zzp’er in jouw organisatie en bedrijfsvoering,
  • het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren,
  • de wijze waarop het contract tot stand is gekomen,
  • de wijze waarop de beloning wordt bepaald en uitgekeerd,
  • de hoogte van deze beloningen,
  • en de vraag of de zzp’er daarbij commercieel risico loopt.

Ook kan van belang zijn of de zzp’er zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt, bijvoorbeeld bij het verwerven van een reputatie, bij acquisitie, wat betreft fiscale behandeling, en gelet op het aantal opdrachtgevers voor wie hij werkt of heeft gewerkt en de duur waarvoor hij zich doorgaans aan een bepaalde opdrachtgever verbindt.

Wat te doen?

Om naheffingsaanslagen en boetes te voorkomen, is het belangrijk om de arbeidsrelaties binnen jouw onderneming te inventariseren. Wat is daarbij belangrijk:

  • Breng de afspraken met zzp’ers en alle feiten en omstandigheden in kaart.
  • Beoordeel aan de hand van het bovenstaande kader uit het Deliveroo-arrest of er sprake is van een arbeidsovereenkomst.
  • Ga na of de afspraken en werkwijze zo kunnen worden aangepast dat er geen sprake van een arbeidsovereenkomst meer is. Hierbij kun je gebruik maken van modelovereenkomsten die zijn beoordeeld door de Belastingdienst.
  • Lukt het niet om de afspraken en werkwijze anders vorm te geven, overweeg dan of je de zzp’er in dienst wilt nemen.

Advies over het werken met zzp’ers?

Heb je vragen over dit onderwerp of heb je hulp nodig bij de beoordeling of er sprake is van een arbeidsovereenkomst? Neem dan contact op met je relatiebeheerder. We helpen je graag verder.