Veel belanghebbenden nemen in een beroepsprocedure (meer) subsidiaire standpunten in voor het geval de rechter hun primaire standpunten afwijst. Uit een recente zaak voor Rechtbank Den Haag blijkt echter dat het innemen van een bepaald primair standpunt de mogelijkheid tot het slagen van een secundair standpunt om zeep helpt.
Een man geeft in zijn aangifte inkomstenbelasting voor het jaar 2014 scholingsuitgaven op. Deze scholingsuitgaven betreffen de afschrijvingskosten van zijn computer en de aanschafkosten van een beeldscherm en een agenda. De inspecteur weigert deze aftrek omdat computers en bijbehorende randapparatuur niet kwalificeren als leermiddelen voor de aftrek van scholingsuitgaven. De agenda is geen leermiddel dat door een onderwijsinstelling is verplicht gesteld, zodat de aanschafprijs evenmin aftrekbaar is.
Nadat zijn primaire standpunt is verworpen, brengt de man zijn subsidiaire standpunt naar voren. Dit subsidiaire standpunt houdt in dat de aanschaf- en afschrijvingskosten van de computer, het beeldscherm en de agenda aftrekbare ondernemingskosten zijn. De rechtbank verwerpt ook dit standpunt. Met zijn primaire standpunt namelijk al duidelijk gemaakt dat deze goederen tot zijn privévermogen behoren en kosten van zulke privé-apparatuur zijn niet aftrekbaar. De enig reden waarom de rechtbank het beroepschrift van de man gegrond verklaart, is dat de fiscus in de bezwaarprocedure het hoorrecht heeft geschonden. De man krijgt dan ook een forfaitaire proceskostenvergoeding toegekend.
Bron: Rechtbank Den Haag 20 juni 2019
De nieuwe kleineondernemersregeling (KOR): aanmelden of afmelden?
Sinds 1 juni is inschrijving voor de nieuwe kleineondernemersregeling (KOR) mogelijk geworden, de nieuwe KOR zal per 1 januari 2020 ingaan. Doet u nu geen btw-aangifte omdat u gebruikmaakt van de ontheffing administratieve verplichtingen en is uw jaaromzet minder dan € 20.000? In dat geval valt u per 1 januari 2020 automatisch onder de nieuwe KOR. Wilt u of kunt u geen gebruik meer maken van de KOR, dan is tijdige uitschrijving noodzakelijk. Ook rechtspersonen kunnen van de nieuwe regeling gebruiken. Wij zullen, indien uw onderneming voldoet aan bovenstaande voorwaarden, binnenkort contact met u opnemen.
Omzetgerelateerde btw-vrijstelling zonder aftrekrecht
De huidige KOR is een vermindering op de per saldo door u verschuldigde btw. Onder voorwaarden kunt u tevens een ontheffing van de administratieve verplichtingen krijgen. Het uitgangspunt voor de nieuwe KOR is uw jaaromzet. Die moet lager zijn dan € 20.000. Kiest u in dat geval voor de nieuwe regeling, dan bent u vrijgesteld van btw en heeft u geen administratieve verplichtingen. Omdat u geen btw in rekening brengt aan uw klanten, kunt u de aan u in rekening gebrachte btw niet aftrekken.
Herzienings-btw
Verricht u btw-belaste prestaties en wordt er gekozen voor de nieuwe KOR? In dat geval moet u mogelijk de in het verleden afgetrokken btw op bepaalde investeringen terugbetalen aan de Belastingdienst (herzienings-btw). U wordt namelijk een btw-vrijgestelde ondernemer die geen recht heeft op btw-aftrek. U krijgt dan met terugbetaling van btw te maken als u in het verleden btw in aftrek heeft gebracht op de aanschaf van onroerende en/of roerende zaken, waarvan in 2020 en volgende jaren nog een herzieningsperiode loopt van respectievelijk 9 en 4 jaar. Onder de nieuwe KOR zou u in die jaren de herzienings-btw jaarlijks moeten terugbetalen als deze meer dan € 500 bedraagt. Deze terugbetaling van herzienings-btw kan aanleiding zijn om niet voor de nieuwe KOR te kiezen.
Afmelden
Heeft u nu ontheffing van de administratieve verplichtingen en voldoet u aan de omzeteis? U wordt dan automatisch aangemeld voor de nieuwe KOR per 1 januari 2020. Het kan echter voorkomen dat deelname voor u nadelig uitpakt, het is in dergelijke gevallen belangrijk dat er tijdig wordt afgemeld. Afmelden kan voordelig zijn als de herzieningstermijn van uw investeringen nog niet is verstreken of wanneer u jaarlijks meer btw terugvordert dan betaald. Als vrijgestelde ondernemer onder de nieuwe KOR dient er namelijk herzienings-btw terug betaald te worden als deze meer dan € 500 per jaar bedraagt. Afmelden voor automatische deelname aan de nieuwe KOR is mogelijk tot 20 november 2019. Bij afmelding kunt u 3 jaar geen gebruik maken van de nieuwe KOR. Wanneer een afmelding niet tijdig plaatsvindt zit u in beginsel 3 jaar vast aan de nieuwe KOR, tenzij u tussentijds de omzetgrens van € 20.000 per jaar overschrijdt. In dat geval wordt u btw-plichtig vanaf de opdracht waarmee u de omzetgrens overschrijdt. U moet dan ook weer aan alle btw-verplichtingen voldoen. Uw relatiebeheer zal binnenkort contact met u opnemen indien u al gebruik maakt van de huidige regeling.
Aanmelden
Aanmelding kan dan tot uiterlijk 20 november 2019. De huidige KOR staat alleen open voor de btw-ondernemer/ natuurlijk persoon. De nieuwe KOR kan ook worden gebruikt door rechtspersonen met een kleine omzet tot € 20.000. Denk naast bv’s bijvoorbeeld ook aan stichtingen en verenigingen met geringe ondernemingsactiviteiten..
Meer informatie
Heeft u meer informatie nodig om te kunnen bepalen of u zich moet aan- of juist afmelden voor de nieuwe KOR? Neem dan contact met ons op. We helpen u graag verder bij het maken van de voor u meest voordelige keuze.
Massaal bezwaar box 3
Over uw vermogen wordt normaliter meer belasting geheven dan het rendement dat u over het vermogen behaalt. De Bond voor de Belastingbetalers is net als voorgaande jaren een procedure gestart om de onredelijke vermogensrendementsheffing over het belastingjaar 2018 aan te vechten. De uiteindelijke uitspraak zal nog enige tijd op zich laten wachten.
Alle bezwaren tegen de vermogensrendementsheffing over 2018 zullen door de Staatssecretaris aangewezen worden als massaal bezwaar. Het gevolg hiervan is dat indien de Bond voor Belastingbetalers in het gelijk wordt gesteld door de rechter, belastingplichtigen gebruik kunnen maken van de uitspraak. De onredelijke vermogensrendementsheffing zal dan worden bijgesteld naar een redelijke heffing. Het is van belang dat er tijdig bezwaar wordt ingediend.
Om de termijn veilig te stellen, zullen wij bezwaar indienen tegen alle aanslagen inkomstenbelasting over 2018 waarbij de te betalen vermogensrendementsheffing meer bedraagt dan € 50.
Voor de werkzaamheden met betrekking tot het indienen en vervolgens motiveren van het bezwaar, zullen wij een vaste prijs van € 25,00 exclusief btw in rekening brengen aan u.
Indien u niet mee wilt doen aan de massaal bezwaarprocedure, neem dan contact met ons op. Indien u in het verleden reeds heeft aangegeven niet mee te willen doen aan de massaal bezwaarprocedure, zullen wij dit jaar automatisch ook geen bezwaar voor u indienen.
U kunt contact opnemen met Marlie van Helmond via het telefoonnummer 077 398 83 27 of via marlie.van.helmond@lenssenadvies.nl.
Beëindigingsvergoeding is geen schadevergoeding
Een beëindigingsvergoeding is in principe onderdeel van het belastbare loon. Alleen als de ontslagvergoeding geen of nauwelijks verband houdt met de dienstbetrekking, kan sprake zijn van een onbelaste vergoeding.
Een docent autotechniek en praktijkonderwijs bij een hogeschool kon na zijn tweede burn-out in deze dienstbetrekking gebruik maken van een bestaande afvloeiingsregeling. Hij bedong echter een ontslagvergoeding die het dubbele was van de ontslagvergoeding die hij eerst kreeg aangeboden. De docent vond namelijk dat hij grote financiële schade had geleden doordat zijn werkgever een toegezegde inschaling in een hogere schaal niet was nagekomen. Daarnaast had hij na een functiewisseling bij zijn werkgever emotionele en psychische schade geleden als gevolg van de slechte verstandhouding met zijn direct leidinggevende. De man vond daarom dat een deel van zijn ontslagvergoeding daarom kwalificeerde als een onbelaste vergoeding van immateriële schade. Hof Arnhem-Leeuwarden haalt uit de wet en de rechtspraak dat een ontslagvergoeding die de werkgever uitkeert vanwege het beëindigen van de dienstbetrekking tot het belastbare loon behoort. Daarbij maakt het niet uit of het gaat om een materiële of een immateriële schadevergoeding. Pas als er geen of zo weinig verband bestaat tussen de vergoeding en de dienstbetrekking, dat men niet kan zeggen dat de werknemer deze vergoeding uit dat dienstverband geniet, is mogelijk sprake van een onbelaste vergoeding. De inspecteur stelt dat dit verband wel degelijk aanwezig is. Het beëindigen van een dienstbetrekking gaat immers vaak gepaard met spanning en frustratie. De ex-docent weet niet aannemelijk te maken dat (een deel van) zijn ontslagvergoeding losstaat van zijn dienstbetrekking. De beëindigingsovereenkomst stelt zelfs dat de ontslagvergoeding is bedoeld om een elders lager te verdienen loon of andere uitkering aan te vullen. Daardoor is sprake van een vervanging van te derven loon. Zo’n vergoeding behoort tot het belastbare loon.
Bron: Gerechtshof ’s-Arnhem-Leeuwarden 20 augustus 2019
Verkleining risico oververhitting nieuwbouw
In de bouwregelgeving zal een nieuwe eis worden opgenomen waardoor de bouwsector verplicht wordt om het risico op oververhitting in woningen te verkleinen. De nieuwe eis gaat gelijktijdig per 1 juli 2020 in met de eisen voor bijna-energieneutrale nieuwbouw (BENG).
Nu nieuwe woningen zo energiezuinig mogelijk worden gebouwd, houden woningen meer warmte vast. In de steeds warmere zomers kan dat problemen opleveren. Met de nieuwe eis wil minister Ollongren van Binnenlandse Zaken zo veel mogelijk voorkomen dat achteraf inefficiënte mobiele airco’s worden geïnstalleerd om de binnentemperatuur op een acceptabel niveau te houden. Dit kan door een goed ontworpen gebouw neer te zetten.
De eis is opgesteld op advies van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland naar aanleiding van een onderzoek naar het criterium en de grenswaarde om het risico op oververhitting in nieuwbouwwoningen te beperken.
Voor nieuw te bouwen woningen zal in de bouwregelgeving een grenswaarde worden opgenomen voor TOjuli. Dit is een indicatiegetal waarmee per oriëntatie van het gebouw inzicht gegeven wordt in het risico op temperatuuroverschrijding. De TOjulivolgt uit de Energieprestatieberekening conform NTA8800. De grenswaarde wordt gesteld op een maximale waarde van 1,0.
Een temperatuuroverschrijdingsberekening met een dynamisch simulatieprogramma kan specifieker voorspellen wat het risico op temperatuuroverschrijding is. Indien de TOjuli de grenswaarde van 1,0 overstijgt mag aan de hand van een dynamisch simulatieprogramma alsnog aangetoond worden dat het risico op oververhitting acceptabel blijft.
De grenswaarde voor de Gewogen Temperatuuroverschrijding (GTO), conform vastgestelde uitgangspunten voor de berekening, wordt gesteld op 450 uur. Dit zal in de bouwregelgeving worden opgenomen en nader worden uitgewerkt.
Bron: RVO.nl 29-08-2019
Prinsjesdag 2019: verwachte wijzigingen in de loonheffingen
Prinsjesdag 2019 nadert. Op die dag zal de staatssecretaris naar verwachting onder andere diverse nieuwe maatregelen op het gebied van de loonheffingen presenteren. Een beknopt overzicht van deze verwachte wijzigingen.
Vermoedelijk zal het pakket belastingmaatregelen de volgende wijzigingen voor de loonheffingen bevatten: een verruiming van de werkkostenregeling;
een vrijstelling voor de vergoeding van de kosten voor het aanvragen van verklaring omtrent gedrag:
een aanpassing van de waardering van branche-eigen producten;
aanpassing waardereberekening aandelenopties bij start-ups;
versoepeling fiscale RVU-regeling;
uitbreiding verlofsparen; en
(misschien) enkele maatregelen in het kader van de vervanging van de Wet DBA. Deze wijzigingen komen hieronder summier aan de orde.
Een verruiming van de werkkostenregeling
De ministerraad heeft besloten dat de vrije ruimte per 1 januari 2020 wordt verhoogd van 1,2% naar 1,7% van de totale loonsom voor zover deze niet meer bedraagt dan € 400.000. Voor zover de totale loonsom de € 400.000 overtreft, blijft de vrije ruimte 1,2% van de totale loonsom. Daardoor kunnen werkgevers vanaf 2020 dus € 2.000 meer onbelast verstrekken aan hun werknemers. Deze verruiming is in nauw overleg met vertegenwoordigers van het mkb vormgegeven. Het kabinet verwacht dat vooral het midden- en kleinbedrijf van deze maatregel profiteert. Daarnaast wil het kabinet werkgevers meer tijd geven om vast te stellen of en hoeveel belastingheffing verschuldigd is in verband met de vergoedingen en verstrekkingen als die zijn aangewezen eindheffingsbestanddelen.
Vrijgestelde vergoeding voor de kosten van aanvraag VOG
Het kabinet wil dat werkgevers de kosten voor het aanvragen van een verklaring omtrent gedrag (VOG) onbelast kunnen vergoeden. Daartoe moet een gerichte vrijstelling in de wet worden opgenomen. De staatssecretaris van Financiën zal het benodigde wetsvoorstel opnemen in het Belastingplan 2020.
Aanpassing waardering branche-eigen producten
Werkgevers kunnen hun werknemers goederen verstrekken die in het bedrijf zelf of in een verbonden vennootschap zijn geproduceerd. Momenteel moeten werkgevers deze zogeheten branche-eigen producten in beginsel waarderen tegen het factuurbedrag dat een derde voor het product zou moeten betalen. Voor branche-eigen producten geldt echter een gerichte vrijstelling tot een bedrag van hoogstens 20% van de waarde in het economische verkeer van deze producten. De vrijstelling mag evenmin hoger zijn dan € 500 per werknemer per kalenderjaar. Het kabinet is van plan de wijze van waardebepaling bij branche-eigen producten te vereenvoudigen.
Aanpassing aandelenopties startups
Onder de huidige wet- en regelgeving vindt de belastingheffing over aan werknemers toegekende aandelenoptierechten plaats op het moment van uitoefening van de optie. Dit geldt zelfs als de aandelen incourant zijn en evenmin liquide middelen voorhanden zijn om de belasting te betalen. De staatssecretaris van Financiën wil deze regeling aanpassen zodat het voor talent aantrekkelijker wordt om voor een startup of scale-up te werken. Zijn idee is om het heffingsmoment te verplaatsen van het moment van uitoefenen van de aandelenopties naar het moment van vervreemding van de aandelen die de werknemer zijn opties heeft verkregen. Het streven is om deze wijziging in werking te laten treden op 1 januari 2021.
Versoepeling fiscale RVU-regeling
In beginsel vallen uitkeringen van de werkgever in het kader van een regeling voor vervroegde uittreding (RVU) onder een pseudo-eindheffing van 52%. Het kabinet wil vanaf 2021 een (bruto) uitkeringsbedrag van ongeveer € 19.000 per volledig jaar vrijstellen van de RVU-heffing. Als de uitkering echter minder dan drie jaar voor AOW-leeftijd ingaat, wordt het heffingsvrije bedrag naar rato aangepast. Een kortere periode betekent dus een naar rato lager bedrag dat heffingsvrij is. Voor RVU-uitkeringen die meer dan drie jaar voor de AOW-leeftijd ingaan of uitgaan boven het bedrag dat is vrijgesteld, vindt slechts pseudo-eindheffing plaats over het meerdere.
Uitbreiding verlofsparen
Op dit moment kunnen werknemers maximaal 50 weken fiscaal gefaciliteerd verlof opsparen. Maar sociale partners hebben verzocht om extra fiscale ruimte om in cao’s afspraken te kunnen maken over het inzetten van bovenwettelijk verlof. Dit bovenwettelijk betaald verlof komt bovenop het reguliere jaarlijkse verlof. Dit verlof is op allerlei moment gedurende de loopbaan (gedeeltelijk) op te nemen. Het kabinet is bereid meer fiscale ruimte te bieden om verlof op te sparen. Daarom zal de grens van 50 weken stijgen naar 100 weken. Dit geeft werknemers meer mogelijkheden om eerder te stoppen met werken. Daarnaast kunnen sociale partners op de cao-tafel afspraken maken om bij overwerk of ploegendiensten (deels) beloning via extra verlofopbouw te laten plaatsvinden. Maatregelen rond vervanging Wet DBA
Het is de bedoeling dat de Wet DBA wordt vervangen. De staatssecretaris is al met de volgende ideeën voor vervangende maatregelen gekomen: de invoering van een minimumtarief voor zzp’ers van € 16 euro;
de invoering van een zelfstandigenverklaring. Deze verklaring geeft vooraf zekerheid over loonheffing en werknemersverzekeringen en ook zo ver mogelijk over arbeidsrechtelijke gevolgen, pensioenverplichtingen en cao-bepalingen.
de invoering van een opdrachtgeversverklaring voor alle opdrachtgevers van zelfstandigen. Er zal onderzoek plaatsvinden of en in hoeverre deze zekerheid is te verkrijgen via een webmodule. Deze maatregelen zullen pas 2021 ingaan. Het is mogelijk dat ze los van Prinsjesdag in een of meer wetsvoorstellen belanden. Maar wellicht is Prinsjesdag 2019 ook de dag waarop de staatssecretaris een wetsvoorstel presenteert met maatregelen rond de vervanging van de Wet DBA.
Onderzoek nodig bij ontbrekend btw-identificatienummer
Een ondernemer moet van Rechtbank Noord-Holland onderzoek doen als zijn grootste leverancier diverse facturen verstrekt zonder btw-identificatienummer. In dat geval kan namelijk sprake zijn van btw-fraude, wat een bedreiging vormt voor het recht op aftrek van voorbelasting.
Een bv met een groothandel in bloemen, planten en aanverwante producten haalt ongeveer 75% van haar inkopen bij één bedrijf. Dit bedrijf staat bij de Belastingdienst bekend als een holding. De bv kan facturen van de holding overleggen en haar bestuurder weet de voornaam en het mobiele nummer van de dga van de holding. Maar voor de rest weet de bv maar weinig van haar grootste leverancier af. De holding draagt de gefactureerde btw niet af. De Belastingdienst meent dat hier sprake is van btw-fraude. De inspecteur betwist daarom dat reële goederenleveringen hebben plaatsgevonden. Zonder inkooporders, kopieën van transportpapieren of andere documenten kan de bv het tegendeel niet bewijzen. Dat het btw-identificatienummer (BIN) van de leverancier op diverse facturen ontbreekt, helpt evenmin. De fiscus besluit om de afgetrokken voorbelasting op de facturen van de holding aan de bloemengroothandel na te heffen. De bv gaat in beroep tegen de naheffingsaanslag, maar kan het bestaan van de goederenleveringen voor de rechtbank niet aannemelijk maken.
Bovendien ziet de rechtbank nog een reden om de aftrek van voorbelasting te weigeren. De bloemengroothandel had namelijk moeten weten dat zij betrokken was bij omzetbelastingfraude. Het feit dat het BIN ontbrak op de facturen van de grootste leverancier had al een belletje moeten doen rinkelen. Toch had de bv geen nader onderzoek gedaan naar de holding. Daarmee had zij onzorgvuldig gehandeld en het risico van deelname aan btw-fraude geaccepteerd, zo oordeelt de rechtbank.
Bron: Rb. Noord-Holland 31-07-2019