EU ook dicht bij groot handelsverdrag met India, maar zonder landbouw

India verwacht deze maand een handelsverdrag met de Europese Unie te kunnen sluiten. De EU sloot onlangs al het Mercosur-handelsverdrag met vier Zuid-Amerikaanse landen. Ondertussen duren de onderhandelingen tussen India en de Verenigde Staten over importheffingen steeds langer.

Belastingdienst waarschuwt voor phisingmails over cryptobezit

Komt er een mailtje van de Belastingdienst binnen waarin jou wordt gevraagd om informatie te delen over je cryptobezit? Klik dan níet op die link, zegt de Belastingdienst. Die mails zijn vals, en er lijkt sprake te zijn van een toename van dit soort mails.

Goedkeuring mbt artikel 15ai Wet Vpb bij liquidatie overdrager; kleinere fiscale eenheid mogelijk

Er is een Mededeling gepubliceerd over het toepassen van de hardheidsclausule met betrekking tot artikel 15ai Wet op de vennootschapsbelasting 1969 bij liquidatie van de overdrager en waarbij een kleinere fiscale eenheid mogelijk was geweest.

Binnen een fiscale eenheid met moeder M, tussenhoudster TH en kleindochters D1 en D2 draagt D2 vermogensbestanddelen over aan D1. Vervolgens wordt D2 geliquideerd.

Daarna worden TH en D1 gezamenlijk verkocht, waardoor de bestaande fiscale eenheid eindigt en in beginsel de sanctie van artikel 15ai Wet Vpb 1969 van toepassing zou zijn op de eerdere overdracht. Direct aansluitend vormen TH en D1 een nieuwe fiscale eenheid.

Het beleidsuitgangspunt is dat beëindiging van een fiscale eenheid niet tot toepassing van artikel 15ai leidt als dat ook niet zou gelden wanneer op lager niveau een kleinere fiscale eenheid (D2–D1–TH) had kunnen bestaan. Indien TH in plaats van M moeder zou zijn geweest, zouden de overdracht, liquidatie van D2 en verkoop van TH niet tot toepassing van de sanctie hebben geleid. De sanctie toepassen in de geschetste situatie past daarom niet bij de beleidsdoelstelling.

Goedgekeurd wordt dat de sanctie wordt doorgeschoven naar de aansluitende fiscale eenheid tussen TH en D1, onder de volgende voorwaarden:
a. Direct aansluitend aan de ontvoeging van de verkrijgende vennootschap ontstaat een nieuwe fiscale eenheid waartoe TH en de verkrijgende vennootschap behoren.
b. Voor artikel 15ai wordt de overdracht geacht binnen de nieuwe fiscale eenheid te hebben plaatsgevonden op het oorspronkelijke overdrachtstijdstip.
c. Eindigt de nieuwe fiscale eenheid met terugwerkende kracht tot het voegingstijdstip, dan treedt de (doorgeschoven) sanctie op dat tijdstip in bij de (beoogde) moeder van de nieuwe fiscale eenheid, voor hetzelfde bedrag als bij de oude fiscale eenheid zonder goedkeuring.
d. Belastingplichtigen aanvaarden deze voorwaarden en bevestigen dit binnen twee maanden schriftelijk aan de bevoegde inspecteur.

Wij willen je graag goed informeren. Mocht je daarom nog vragen hebben, neem dan gerust contact met ons op.

Bron: MvF 23-12-2025, ‘Mededeling over toepassen hardheidsclausule met betrekking tot artikel 15ai Wet Vpb
1969 bij liquidatie overdrager; kleinere fiscale eenheid mogelijk

Wet: art. 15ai, art. 15aa, art. 15ae Wet Vpb 1969

Brief ‘geen bron’ niet voor bezwaar vatbaar; verlies 2020 vervalt

Gerechtshof Den Haag vindt dat de standpuntbrief van de inspecteur over het einde van de bron van inkomen geen besluit is waartegen bezwaar openstaat. Omdat de tandarts in 2020 geen objectieve winstverwachting aannemelijk maakt, mag zij het verlies uit haar eenmanszaak niet aftrekken.

De tandarts exploiteert tot eind 2017 een tandartspraktijk via een bv en verkoopt die praktijk om tijd en geld vrij te maken voor een eigen methode om mensen met tandartsangst met behulp van paarden te behandelen. Vanaf 2015 voert zij die behandelingen via een eenmanszaak uit; de samenwerking met de koper van de praktijk eindigt in 2019. De eenmanszaak beschikt over een therapeutisch centrum en een locatie in het buitenland waar de paarden vanaf 2019 staan. Door Covid-19 verblijft de tandarts in 2020 in het buitenland en schrijft zij een boek over haar methode. De omzet blijft laag en de resultaten zijn al jaren negatief. De inspecteur wijkt bij de aanslag IB/PVV 2020 van de aangifte af en zet het ondernemingsverlies op nihil. In geschil is of tegen zijn aankondigende brief bezwaar mogelijk is en of de activiteiten in 2020 een bron van inkomen vormen.

Geen bezwaar tegen de standpuntbrief

In het belastingrecht kan alleen worden geprocedeerd tegen een aanslag of tegen een beschikking die de wet uitdrukkelijk ‘voor bezwaar vatbaar’ noemt. De brief van 14
augustus 2023 is vooral een waarschuwing dat de inspecteur bij de aanslag 2020 van de aangifte gaat afwijken. Ook als die brief als ‘besluit’ wordt gelezen, is dat nog
geen beschikking die voor bezwaar vatbaar is. De mededeling dat bezwaar kan worden gemaakt, ziet volgens het hof op het aanslagbiljet dat later volgt, niet op de brief
zelf. Daarom is het bezwaar tegen de brief terecht niet-ontvankelijk en is er op dat punt geen hoorplicht. Wel legt de inspecteur het dossier vóór het hoorgesprek niet
ter inzage. Het hof passeert die schending van het inzagerecht, omdat de tandarts niet laat zien dat zij daardoor inhoudelijk is benadeeld. Een dwangsom komt niet in
beeld zonder ingebrekestelling.

Geen bron van inkomen in 2020

Voor een bron van inkomen is niet alleen deelname aan het economisch verkeer en een winststreven nodig, maar ook een objectieve verwachting dat binnen een redelijke termijn winst is te behalen. Omdat de tandarts in 2020 een verlies uit onderneming wil aftrekken, moet zij aannemelijk maken dat toen een reële winstverwachting bestond. Dat lukt niet.

De eenmanszaak lijdt structureel verlies en ook na 2020 blijven de resultaten negatief.

De tandarts beschrijft wel het opbrengstpotentieel (sessies, trajecten, eventueel licenties en opleidingen), maar zij concretiseert niet hoe zij dat omzet in klanten
en omzet: acquisitie, samenwerkingen en marketing blijven te vaag. Een merkregistratie, de boekpublicatie, het S-curve-innovatiemodel en corona zijn zonder onderbouwing onvoldoende om de structurele verliessituatie te doorbreken. Het hof laat het verlies daarom buiten beschouwing en verklaart het hoger beroep ongegrond; de inspecteur vergoedt wel het griffierecht van € 193.

Wij willen je graag goed informeren. Mocht je daarom nog vragen hebben, neem dan gerust contact met ons op.

Bron: Hof Den Haag 29-10-2025 (gepubl. 22-12-2025), ECLI:NL:GHDHA:2025:2403
Wet: art. 26 AWR; art. 6:10, art. 6:22, art. 6:24, art. 7:1, art. 7:2, art. 7:3 en art. 7:4 Awb

Kamer wil zachte landing handhavingsstrategie schijnzelfstandigheid verlengen tot tenminste 31 maart 2026

De Tweede Kamer heeft een motie aangenomen met als strekking de handhavingsstrategie zachte landing bij de aanpak van schijnzelfstandigheid tenminste te verlengen tot en met 31 maart 2026.

Minister Paul kondigde onlangs aan in een Kamerbrief dat de zachte landing met ingang van 1 januari 2026 verdwijnt.
Ook de volgende moties zijn aangenomen:

  • Motie over bij handhaving het opleggen van verzuimboetes zoveel mogelijk vermijden en de voorkeur geven aan bedrijfsbezoeken boven boekenonderzoeken
  • Motie over het handhavingsplan arbeidsrelaties aanpassen zodat handhaving in 2026 wordt gericht op probleemgevallen met verhoogd risico op gedwongen zelfstandigheid, onderbetaling, evidente schijnzelfstandigen en arbeidsmigratieconstructies
  • Motie over nagaan of het tijdelijk niet opleggen van verzuimboetes en het blijven starten met bedrijfsbezoeken in plaats van boekenonderzoek geen gevolgen heeft voor
    de toekenning van middelen uit het Herstel- en Veerkrachtplan.

Wij willen je graag goed informeren. Mocht je daarom nog vragen hebben, neem dan gerust contact met ons op.

Bron: TK 18-12-2025, ‘Moties ingediend bij het tweeminutendebat Zzp
Wet: art. 1a Wet LB 1964

https://www.taxence.nl/nieuws/kamer-wil-zachte-landing-handhavingsstrategie-schijnzelfstandigheid-verlengen-tot-tenminste-31-maart-2026/

WOZ 2023: koopsom is leidend, geen gelijkheid met burenappartementen

Het hof laat de WOZ-waarde van € 402.000 in stand, omdat de heffingsambtenaar mag leunen op de (gecorrigeerde en geïndexeerde) koopsom uit 2021. Ook het beroep op de meerderheidsregel faalt: de andere appartementen in het pand zijn niet (nagenoeg) identiek.

Een man bezit een bovenwoning uit 1916 van circa 44 m². De heffingsambtenaar stelt de WOZ-waarde voor 2023 (waardepeildatum 1 januari 2022) op € 402.000. In het taxatierapport staat het eigen verkoopcijfer centraal: de woning gaat op 12 juli 2021 voor € 385.000 van de hand. De heffingsambtenaar trekt daar 2% voor de bijdrage aan de vve vanaf en indexeert de uitkomst naar de peildatum. De man zegt dat hij in 2021 móést overbieden door een oververhitte markt en dat de gemeente daarom niet op de koopsom maar op de vraagprijs had moeten varen. Ook wijst hij op drie appartementen in hetzelfde pand met lagere WOZ-waarden en vraagt hij om verlaging via het gelijkheidsbeginsel (meerderheidsregel).

De vraag is of € 402.000 te hoog is en of die lagere burenwaardes hem kunnen helpen.

Koopsom blijft de beste aanwijzing

erechtshof Amsterdam volgt de rechtbank: als iemand kort vóór of na de waardepeildatum koopt, is de betaalde koopsom meestal de beste aanwijzing voor de waarde in het economische verkeer. Daarom mag de heffingsambtenaar de WOZ-waarde primair baseren op het eigen verkoopcijfer van de woning. Dat de man boven de vraagprijs heeft geboden, maakt de koopsom niet ‘onbetrouwbaar’. Een overspannen markt zit juist ín de prijs: de waarde is wat de meestbiedende koper betaalt, zolang de verkoop normaal tot stand komt door vraag en aanbod. De heffingsambtenaar onderbouwt bovendien hoe hij van € 385.000 naar € 402.000 komt (vve-correctie en indexatie naar 1 januari 2022). De man komt niet met concrete omstandigheden waaruit blijkt dat deze transactie de werkelijke marktwaarde niet weerspiegelt. Het hof vindt daarom dat de heffingsambtenaar voldoende laat zien dat de WOZ-waarde voor 2023 niet te hoog is.

Meerderheidsregel haalt het niet

Voor de meerderheidsregel moet de man aantonen dat minstens twee (nagenoeg) identieke woningen met slechts verwaarloosbare verschillen lager zijn gewaardeerd. Na de zitting komt de heffingsambtenaar met meetgegevens en bouwtekeningen: de vergelijkbare appartementen zijn 42 m², 44 m² en 45 m². Ook de kwaliteit loopt uiteen van ‘matig’ naar ‘goed’ en ‘gemiddeld’. Volgens de verkoopinformatie is één appartement bovendien volledig gerenoveerd en instapklaar, wat een hogere waardering verklaart. De man betwist de m²-verschillen niet en neemt de kwaliteitsverschillen niet weg. Daarom zijn de appartementen niet (nagenoeg) identiek en strandt het beroep op het gelijkheidsbeginsel. Zelfs als één appartement incidenteel te laag is gewaardeerd, is één zo’n afwijking nog geen ‘meerderheid’. Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Wij willen je graag goed informeren. Mocht je daarom nog vragen hebben, neem dan gerust contact met ons op.

Bron: Hof Amsterdam 07-10-2025 (gepubl. 18-12-2025), ECLI:NL:GHAMS:2025:3334
Wet: art. 17 lid 2 en art. 22 Wet WOZ

https://www.taxence.nl/eigen-woning/woz-2023-koopsom-is-leidend-geen-gelijkheid-met-burenappartementen/

Geen aftrek zonder bonnetjes: wel € 5.000 voor trage afhandeling bezwaar

De vrouw kan haar zorg- en scholingskosten over 2016 niet meer bewijzen en verliest daardoor de persoonsgebonden aftrek. Wel krijgt zij € 5.000 immateriële schadevergoeding omdat haar bezwaar en beroep veel te lang hebben geduurd.

De vrouw dient haar aangifte IB/PVV 2016 in met een aftrek voor specifieke zorgkosten van € 3.689 en scholingsuitgaven van € 6.426. De inspecteur vraagt in juli 2018 om extra informatie en kondigt in maart 2019 aan dat hij wil afwijken van de aangifte.

Op 30 april 2019 legt hij de definitieve aanslag op naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.213. De vrouw maakt op 8 juni 2019 digitaal bezwaar. In de systemen van de inspecteur staat de behandeling van het bezwaar op enig moment ten onrechte als ‘afgebroken’ geregistreerd. Na een melding van de vrouw start de inspecteur de behandeling opnieuw op. Uiteindelijk belandt de zaak bij Rechtbank Zeeland‑West‑Brabant.

De kern van het geschil: heeft de vrouw nog recht op de opgevoerde persoonsgebonden aftrek?

Geen bewijs, dus geen aftrek

Wie persoonsgebonden aftrek wil, moet kunnen laten zien dat de kosten in het juiste jaar zijn gemaakt, dat ze op haar drukken en dat ze binnen de aftrekregels vallen.
Als de inspecteur de opgevoerde kosten gemotiveerd betwist, moet de belastingplichtige die kosten aannemelijk maken. De vrouw zegt dat haar bewijsstukken tijdens verhuizingen zijn zoekgeraakt en dat zij daarom niets meer kan overleggen. Juist omdat er voor  2016 ‘vrijwel geen bewijs’ is, vindt de rechtbank dat zij niet aan haar bewijslast voldoet. De rechtbank laat de aftrek voor zorgkosten en scholingsuitgaven daarom vervallen en laat de aanslag IB/PVV 2016 in stand.

€ 5.000 door te lange duur

Ondanks dat de vrouw inhoudelijk verliest, krijgt zij wel immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank rekent vanaf ontvangst van het bezwaarschrift (8 juni 2019) tot haar uitspraak (10 december 2025) en ziet dat de redelijke termijn van twee jaar met afgerond 55 maanden is overschreden. Bij € 500 per half jaar overschrijding komt de vergoeding uit op € 5.000. Omdat vooral de bezwaarfase uitloopt, komt € 4.727 voor rekening van de inspecteur en € 273 voor rekening van de Staat. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, maar veroordeelt beide partijen wel tot betaling van hun deel van de schadevergoeding.

Wij willen je graag goed informeren. Mocht je daarom nog vragen hebben, neem dan gerust contact met ons op.

Bron: Rb. Zeeland-West-Brabant 10-12-2025 2025 (gepubl.17-12-2025), ECLI:NL:RBZWB:2025:8779
Wet: art. 6.1, 6.17 en 6.27 (oud) Wet IB 2001